Working girl

Al dertig jaar in het vak bedenkt ze, terwijl ze in haar gele minirok en kort leren jasje in de stationshal staat. Ze zoekt tevergeefs sigaretten in haar tas, want ze weet dat ze die in de opvang in de huiskamer heeft laten liggen. Dan ben je ze kwijt. Dat weet iedereen. Niemand zal haar feliciteren vandaag. In de reflectie van het raam van de hal ziet zij zichzelf. Ze heeft een paar pillen geslikt tegen de pijn in haar lijf en twijfelt over wat ze zal doen. De meeste mannen kijken niet meer. Ze kijken soms wel, maar niet meer zoals vroeger. 

Als ze naar haar benen kijkt ziet ze dat haar panty kapot is. Helaas kan ze nu geen nieuwe kopen. Ze heeft niet eens geld voor een kop koffie. Een eindje verder zit Stanley. Hij zit weggekropen in zijn capuchon en houdt haar in de gaten. Ze weet dat ze hem straks nodig heeft en hij weet het. Hij wacht af. Eerst moet zij geld verdienen om zijn dope te betalen. Hier en daar lopen handhavers. Straks als ze met meer zijn zullen ze weggestuurd worden. Geen vaste warme plek voor haar. Geen familie, geen echte vrienden, alleen ratten.

Uit haar tas pakt ze een spiegeltje. Ze werkt de make-up een beetje bij. Ze ziet een mager oud gezicht en probeert er niet op te letten. Er zijn nog altijd mannen die het wel doen als de prijs niet te hoog is. Ze is zesenveertig en zit dertig jaar in het vak.

Misschien neemt ze vandaag de trein. 

Stoer

Ik loop door de gang als ik word gevangen door twee kleine, sterke armen. Dit gebeurt bijna dagelijks. Ik draai me om en ze legt haar hoofd tegen mijn buik en zegt: ‘Hallo juf, hoe is het met u?’
Ik zeg: ‘Goed hoor. Ik ben vandaag in jullie klas, dus deze dag is nu al leuk. En hoe gaat het met jou?’
‘Goed,’ zegt ze en ze rent lachend voor me uit de trappen op om daar weer enthousiast een klasgenootje te begroeten. Later op de dag mag ze niet naast mij lopen. De afspraak is dat daar iemand anders loopt. Nu is ze boos. Ze kijkt boos naar beneden en heeft haar armen demonstratief over elkaar. Nukkig loopt ze door de gangen en kijkt even achterom of ik haar wel zie.
In de kring vertelt ze over twee familieleden die nog in het land wonen waaruit zij gevlucht zijn. Dat ze alleen maar puinhopen om zich heen hebben, geen eten meer. Ze zijn broodmager en van de weinige keren dat ze nog contact hebben, weten ze dat ze hele dagen in hun huis doods voor zich uit zitten te staren. Ze doet het voor en ik voel een steek in mijn hart. De ogen van dit zevenjarige meisje vullen zich met tranen en ik voel de tranen ook prikken. Ik slik en geef het gesprek een andere wending.
’s Middags als ze weer met de taxi naar huis gaat, komt ze nog een laatste knuffel geven. ‘Jij bent lief,’ zegt ze. Dit doet ze overigens bij al ‘haar’ juffen.
Ze zit nu een jaar bij ons op school en binnenkort gaat ze naar een nieuwe school. Een school in de buurt, zodat ze niet elke dag met de taxi hoeft te komen.
Ik zal haar missen, maar het is goed zo. Ik zal me wel blijven afvragen hoe het met haar is.  Het kleine, lieve en vooral stoere meisje dat ondanks dat ze alle lelijke kanten van het leven heeft meegemaakt, zo vrolijk blijft.

wp-1490528233778.jpg

Welkom

Ik ben weer terug bij de school waar ik thuis hoor. De school voor nieuwkomers. Wat een geluk! Mijn takenpakket is erg divers. Naast mijn lesgevende taken ben ik sinds deze week ook verantwoordelijk voor de inschrijvingen van nieuwe leerlingen. Wij hebben vanzelfsprekend veel vluchtelingen op school. Maar er zijn ook arbeidsmigranten, waarvan de kinderen naar school moeten. Bij ons op school blijven de kinderen een jaar, zodat ze de Nederlandse taal voldoende beheersen om op een reguliere school het onderwijs te kunnen volgen.

De vluchtelingen worden vaak bijgestaan door een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk. Tussen al het papierwerk, dat ik met ze moet doornemen, probeer ik wat met ze te praten. De meesten praten wel een beetje Engels of ze hebben al wat Nederlands geleerd in het AZC. Vaak hebben ze een vertaal app op de telefoon en ook de vrijwilliger vertelt soms dingen, die ze weet uit eerdere gesprekken.

Ik heb in de afgelopen dagen zes nieuwe kinderen ingeschreven uit verschillende landen. Vluchtelingen die al te lang geen onderwijs hebben gehad en het liefst morgen willen beginnen. Kinderen staan te popelen om weer een normaal leven te beginnen. Kinderen die tot twee weken geleden nog tussen de puinhopen van Aleppo leefden. Ze zien er vrolijk uit, hoewel ze de laatste jaren vooral binnenshuis hebben doorgebracht.

Ouders die totaal niets zeggen over hun geloof. En als ze er al iets over zeggen, dan is het laconiek. Het is niet het allerbelangrijkst. Althans niet in combinatie met school. Ze zijn weggejaagd door mensen die uit naam van het geloof de boel onleefbaar hebben gemaakt.
Ik besef me ook dat dit de mensen zijn waar sommige mensen in Nederland bang voor zijn. Ze vrezen dat deze mensen ons hun cultuur willen opleggen. Ik ben daar helemaal niet bang voor. Geen enkele ouder doet ‘vreemd’. Ze zijn heel aardig (waarom ook niet) en ze schudden me de hand. Ze willen precies hetzelfde als ieder ander mens. Een dak boven hun hoofd, wat eten en dat hun kinderen gelukkig zijn en kansen krijgen. Leven zonder angst. Ze bedanken me uitgebreid bij het afscheid. Ik heb de mooie taak ze welkom te heten.

De kinderen willen bij de rondleiding het liefst meteen de volgende dag beginnen. Soms kan dat, maar niet altijd. Het is prachtig om die blije koppies te zien. De oudere kinderen (die komen niet bij ons op school) zien er een stuk minder onbezorgd uit. Ze stralen een soort gelatenheid uit. Een houding van ‘we zien het wel’. Ze zullen wat meer tijd nodig hebben om te landen.

Landen. Neerdalen op land. Op een land neerkomen. Neerland. Nederland.
Wat ben ik een bevoorrecht mens dat ik hier ben geboren.

Status

Ik haal even een boodschap bij de plaatselijke biologische supermarkt. Er zijn twee kassa’s open, waarvan er één gaat sluiten, dus ik sluit aan achter een dame die bijna klaar is. De dame draagt een lange jas met een hoge kraag van marterbont en ze heeft twee grote shoppers vol met spullen. Druk staat ze alles in de tas te proppen als er twee pakjes thee voorbij schuiven.
Mevrouw Marterkraag begint tegen de kassière te praten: ‘Dit is een actie. Ik krijg er iets bij. Zo’n ding.’
Het meisje achter de kassa kijkt haar aan en wacht even of de vrouw verdere uitleg gaat geven bij “ding”.
‘Jij werkt hier. Je moet het weten. Ik krijg er een bij twee. En kijk, ik heb hier vier pakjes, dus ik krijg er twee. Zo’n, ik weet het woord niet. Zoek het uit!  Jij moet het weten.’ Ze gunt het meisje geen blik waardig, maar kijkt ongeduldig zuchtend omhoog.
‘Het is mijn eerste dag hier, mevrouw. Ik weet niet om welke actie het gaat, maar…’
Ze krijgt geen tijd, want mevrouw Marterkraag valt haar ongedurig in de rede terwijl ze doorgaat met proppen. De tassen zitten nu tjokvol.
‘Vraag het! Ik krijg twee van die…’, zegt ze terwijl ze een drinkgebaar maakt. Het meisje drukt op een belletje, het teken dat ze van iemand hulp nodig heeft.
‘Een theeglas?’ zeg ik in een poging dit meisje een beetje te helpen.
‘No, niet een glas. More like a mug. Ceramic’, antwoordt de vrouw zonder op of om te kijken.

Het meisje van de andere kassa komt te hulp en pakt de mokken voor de ongedurige dame, die flink staat te zuchten. Een dankjewel kan er ook niet af.
Het meisje achter de kassa blijft vriendelijk lachen. Ik moet ook lachen, want zoveel hooghartigheid heb ik lang niet meer gezien. Ik zou mevrouw Martelkraag wel eens een dagje achter de kassa willen zetten. Haar creditcard doet het niet, maar gelukkig heeft ze nog een ander pasje. Als ik aan de beurt ben, kijkt ze naar haar twee volle tassen en zegt op luide toon, maar tegen niemand specifiek. ‘Hoe moet ik dat nou weer doen?’ Ze klinkt geërgerd en zucht er nog eens flink bij. Het meisje aan de kassa kijkt vragend naar haar.
‘Kan iemand even meelopen naar de auto? Dat doen ze altijd.’ Weer spreekt ze tegen niemand in het bijzonder of tegen het meisje aan de kassa, maar dan zonder haar aan te kijken. Het lijkt erop dat ze hoopt dat iemand haar ergernis en elegantie oppikt en begrijpt dat een dame zoals zij onmogelijk zelf met haar tassen naar de auto kan. (Een karretje pakken, het naar je auto rijden, inladen en de kar terugbrengen is te veel werk?)
Maar dan opeens ziet zij een gezicht in de winkel dat zij kent. Iemand die haar kent. En ze bedenkt opeens dat ze iets is vergeten. Ze roept: ‘Elizabeth, ik ben iets vergeten.’ Ze laat haar tassen aan het eind van de band staan en loopt naar Elizabeth. Die gaat haar ongetwijfeld helpen.
Terwijl ik afreken zie ik dat Elizabeth aanwijzingen krijgt van mevrouw. Ik zeg tegen het meisje achter de kassa dat ze het prima doet en dat ze vooral zo rustig en vriendelijk moet blijven als ze nu deed. Dat wordt meteen beaamd door de vrouw die na mij in de rij staat. Keurig als ze is, glimlacht ze en zegt alleen: ‘Dank u wel.’

En mevrouw Marterkraag? Geen idee. Waarschijnlijk heeft iemand haar loodzware tassen naar de auto gebracht en heeft zij bevestigd gekregen dat zij alles kan krijgen zoals zij dat wil.
Het is interessant om te zien hoe men meteen in de houding springt als er iemand zich gedraagt alsof ze meer zijn dan een ander. De status die de een aanneemt, heeft een direct effect op de ander.

frogs-1199815_960_720-2

Mooi afscheid nemen

Vandaag was ik voor het laatst. Eerder verhuisde ik al naar de dependance en de leerlingen die eerder in mijn klas zaten hopen dat ik de volgende periode weer op het hoofdgebouw kom werken. Ze weten niet dat ik (als invaller) al een poosje boventallig ben. Dat kan ik niet uitleggen. Nu ga ik weg, omdat ik een andere tijdelijke baan aangeboden heb gekregen. Dat is even slikken voor alle partijen. Ik voel dat ik op deze school thuishoor en ik krijg dat steeds bevestigd. 

Er vloeien tranen. Stille tranen van een meisje dat zich te groot voelt om te huilen. Voor haar geldt wat voor veel van onze leerlingen geldt: Het leven staat in het teken van afscheid nemen. Je voelt aan alles dat zij dit niet wil. Niet weer.

Mijn afscheid vandaag was goed. Ik ben nog nooit zo veel en zo stevig geknuffeld door zoveel kinderen als vandaag. Natuurlijk was een simpele hand ook prima. 

Een jongen pakt mij al iets eerder vast als hij met mij in de gang staat. Zijn gezicht staat zo treurig dat ik hem bijna een moederlijke kus geef. Ik ben verbaasd, want ik heb hem alleen bij één vak in de klas en ik had geen idee dat hij me zo graag mocht. Hij blijft slikken en ik verwoord wat ik denk te zien ‘Je vindt het moeilijk hè?’ ‘Ja’, zegt hij, ‘Ik heb mijn pappa twee jaar niet gezien. En mijn mamma ook niet.’ Echte tranen nu. Ik sta flink te slikken, maar ik krijg die plotselinge brok niet weg. Ik vraag niet waarom, maar: ‘Bij wie woon je dan?’ ‘Bij mijn grote broer, hij is vijfentwintig.’ Ik laat het even tot me doordringen. Een kind van elf in een vreemd land, zonder ouders. En dat al een paar jaar. Een vijfentwintigjarige jongen, die net aan zijn leven begint, die voor zijn kleine broertje zorgt. Ik merk dat ik niet durf te vragen naar het wel en wee van die ouders. Alsof hij mijn gedachte opvangt zegt hij:’Ze komen over drie maanden.’ En weer gaan die armpjes om mijn middel. Ik geef hem een kus op zijn haar en zeg: ‘Ik hoop dat die drie maanden heel snel voorbij gaan.’ Mijn stem trilt. ‘Ja juf, dank je wel, ik ook.’ Ik voel de tranen prikken. Niet om mijn afscheid. Dat is echt niets vergeleken bij wat de kinderen hier meemaken. 

Ik besluit om alleen nog maar te genieten van mijn afscheid. Alle kimderen van de dependance  komen op bezoek in mijn lokaal. We praten, lachen, ik krijg foto’s, bloemen, cadeautjes, knutsels, kussen en knuffels. Een borrel met de collega’s na schooltijd. Geen zielig gedoe voor mij. Alle lieve woorden, bloemen, cadeaus pak ik met een lach aan. Een speech van de directeur, die me complimenteert en zelfs de oud-directeur die met pensioen ging, komt nog even gedag zeggen en een cadeautje brengen. Super, super, super. En ik kan alleen maar zeggen wat ik hoop: ‘I will be back!’

Happiness for all

Wat begon als een lezing over zijn boek “Iedereen gelukkig”, is uitgegroeid tot een heel centrum. Een centrum waar hij als stralend middelpunt voordoet wat iedereen nastreeft. Zijn motto is: Lukt het niet, dan doe je teveel je best. Er zijn mensen in de inner-circle, de close-to-us circle en daar omheen beweegt zich de happy bunch. Bij de inner-circle horen de mensen die bij Brian horen. Zijn familie zoals hij ze ook wel noemt. Brian heeft zich afgevraagd of hij zichzelf een andere naam zou geven, maar bedacht dat het concept vooral simpel moest blijven. De inner-circle woont in het grootste huis op het landgoed, het verst verwijderd van de dome. De dome is een rond gebouw, waar alles gebeurt. Aan de dome zitten twintig uitstulpingen. Dat zijn ruime eenpersoonskamers, waar de medewerkers/bewoners een kamer hebben. Dat is de close-to-us groep. Dan zijn er nog de bezoekers, ‘the happy bunch’, die lid moeten zijn van de ‘Happiness for all’ beweging.

De ‘ways to happiness’ zijn simpel:

Dansen is loslaten. (To Dance is to let go.)
Jezelf zijn is zonder pijn. (Being yourself is without pain)
Toon je pracht-kom in je kracht. (Show your beauty- enforce your power)

Zomaar zinnen die hij op een duffe donderdagmiddag verzon, die nu door iedereen als een soort van mantra worden herhaald.
De liefde mag overal bedreven worden en met iedereen als het maar uit het zicht is van de mensen die daar niet voor komen. In de tuin zijn verschillende kleine huisjes met voorzieningen, waar je je tijdelijk samen kunt terugtrekken. Mensen die in het centrum zijn verbinden zich allemaal aan elkaar en daarom mag ieder van elkaar genieten, zolang beide of alle personen dat willen. Er wonen geen kinderen op het landgoed. Kinderen mogen alleen als bezoeker komen in het kindergedeelte. Zij moeten gescheiden blijven van de volwassen bezoekers. Kinderen zijn welkom in de binnentuin. Het hart van de dome.

Omdat Brian voorziet dat de beweging wel eens internationaal kan worden, hebben de groepen Engelse namen. Brian doet dagelijks een ronde door het gebouw. Hij gaat dan even op de spreekstoel zitten en iedereen gaat op de grond zitten in de danszaal. De muziek stopt en mensen mogen hem vragen stellen.
Hij zorgt er op zijn beurt voor dat zijn antwoorden zo vaag en algemeen mogelijk blijven. Dan wordt er hard gelachen en geapplaudisseerd. Als hij er genoeg van heeft, heft hij zijn hand op en begint de muziek. Hij danst even met de mensen en gaat erna naar zijn eigen huis. Soms willen mensen individuele gesprekken met hem voeren. Dat moet op aanvraag en via Elise geregeld worden. Hij geeft een datum en een tijd en de aanvrager zorgt dat hij of zij er op tijd is.

wp-1483295825110.jpg

In de gang naar de dome zijn verschillende commerciële ruimtes. Het restaurant, de coffeeshop, de kapper, een kledingzaak, een boekwinkeltje waar boeken en merchandise met spreuken en wijsheden van het centrum worden verkocht en de entree, waar je een dagkaart ‘happiness’ kunt kopen.

Brian heeft al een tijd een relatie met Michael. Michael is de kapper en behoort tot de inner-circle. Brian is stapelgek op Michael. Hij wil hem liefst zoveel mogelijk voor zichzelf houden in tegenstelling tot wat hij ‘predikt’ in de dome. Zo vaak als hij kan, moedigt Brian het laten groeien van je haar aan. Ook de foto’s die in de dome hangen, tonen mensen met lang haar, die er wild mee zwaaien. Die haren worden door Michael verzorgd. Hij doet goede zaken.
In de inner-circle woont ook Elise. Elise is de vrouw van Brian. Het huwelijk was er al voordat de beweging begon. Brian en Elise hebben niet veel meer samen, maar zij is de voornaamste raadgever van Brian en zij is degene, die alle activiteiten verzint alsmede de onderwerpen waarover Brian spreekt. Michael vermoedt zelfs dat Elise de boeken schrijft, die onder Brians naam worden uitgegeven. Elise heeft borstkanker. Ze voelt zich slecht door de chemo’s en haar haar begint uit te vallen.

Elise vraagt: ‘Michael, wil je mijn haar eraf scheren? Ik wil niet toekijken hoe het uitvalt.’
‘Weet je het zeker?’ vraag Michael.
‘Heel zeker. Ik wil dat jij het doet, omdat je altijd mijn haar doet.’
Hij kijkt even. Zijn ogen worden voor de eerste keer waterig sinds hij weet dat ze ziek is.
Het voelt allemaal zo oneerlijk. Deze prachtige vrouw, die altijd voor iedereen klaarstaat. Die hem heeft bijgestaan als het moeilijk ging met Brian, ondanks dat zij met hem getrouwd is. De vrouw die voor iedereen altijd heerlijk en verantwoord eten op tafel zet. Juist zij wordt ziek. Michael begrijpt niet dat Brian er zo onberoerd onder blijft. Ze mogen dan geen relatie meer hebben, zij heeft een groot deel van Brians leven meegemaakt en is nog steeds zijn steun en toeverlaat.
‘Waarom moet je huilen?’ vraagt ze hem.
‘Ik ben bang. Ik weet dat ik gelukkig moet zijn om alles wat we hebben, maar soms ben ik toch bang om te verliezen.’
‘Verlies is er, zodat je waardeert wat je hebt,’ zegt ze kalm.
‘Ach rot toch op,’ zegt hij terwijl hij boos weg stampt.
‘Neem je als je terugkomt de tondeuse mee?’ roept ze hem lachend achterna.

Soms heeft hij er zo genoeg van. Dat alles maar mooi en aardig en gezellig en gelukkig moet zijn. Zo erg dat hij de hele boel wel met een honkbalknuppel in elkaar zou willen slaan. Maar hij heeft een goed leven hier en denkt er niet over om te vertrekken. Nou ja, denken wel. Zijn bankrekening stroomt aardig vol, ook al gaat er een groot deel naar het centrum. Aangezien Brian thuis echt moeilijk kan zijn, denkt hij er af en toe aan. Hij zou met het geld dat hij heeft verdiend weer opnieuw kunnen beginnen. Alleen zijn er nog meer mensen die hem in het centrum houden.
Bovendien hoeft hij in het centrum niet te dealen met de kille buitenwereld. Ze hebben daar binnen zo weinig mogelijk van doen met ‘buiten’.
Hij pakt de tondeuse, een kam, een schaar en verzorgende crème. Het kwade gevoel ebt weg en Elise heeft hem nu nodig.
‘Sorry voor net.’
‘Het is al goed.’
‘Zal ik maar beginnen?’
‘Ja, maak nog even een foto.’
Hij maakt een foto van haar weelderige rode haar. Dan pakt hij de schaar en knipt het eerst kort. Daarna gaat de tondeuse erover. Standje nul heeft ze hem gezegd. Zo kort als het maar kan.
Als hij klaar is, ligt het haar op de grond om haar stoel en stromen de tranen over zijn wangen.
‘Zo, dat kan er maar af zijn,’ zegt ze stoer.
‘Blijf even zitten. Ik smeer je hoofdhuid in met crème, want die is gevoelig.’
‘Doe maar. Lief van je.’

Liefdevol smeert hij haar hoofdhuid in. Zij strekt haar armen naar hem uit en hij begint haar hals en haar rug te strelen. Voor ze het weten, gebeurt er iets met hen dat nooit eerder gebeurde. Ze zijn opeens aan het vrijen. Al drie jaar is Michael alleen met Brian en al jaren leeft Elise celibatair.
Er is niets verkeerds aan wat ze doen, maar het voelt alsof het streng verboden is. Brian is op zijn ochtendronde en komt in de regel pas na een uur terug. Maar niet deze keer.

Brian staat roerloos in de deuropening als ze zich bezweet op de bank laten vallen.
‘Oh, okee!’ zegt hij hard. Hij gaat naar de slaapkamer. De twee in de kamer weten even niet wat ze moeten doen. Michael trekt zijn kleren aan en gaat achter Brian aan. Hij gaat de slaapkamer binnen.
‘Je was vroeg terug. Is er iets?’
‘Behalve dat ik mijn minnaar met mijn vrouw samen aantref, nee hoor. Ik had gewoon geen zin in een vragenronde, dus ik ben meteen gaan dansen. Dat hield ik ook kort. Net als dit gesprek. Ik wens het er verder niet over te hebben.’
‘Ben je boos?’ vraagt Michael
‘Begreep je mijn wens niet?’
Dat doet Brian graag. Je de mond snoeren met een wedervraag.

Vanaf die dag is er bijna geen contact meer tussen Brian en Michael. Michael wordt getolereerd.
Op zondagmorgen heeft de dome de meeste bezoekers. Sommigen daarvan zijn al op zaterdag gekomen en zijn blijven slapen bij een van de bewoners. Brian neemt plaats op zijn stoel.

‘Happiness and freedom’ zo groet hij de groep. De zaal zit vol. Ook de inner-circle zit op zondagen in de zaal.
‘Freedom and happiness’ scandeert de zaal.
‘Ik ga het vandaag anders doen. Geen vragen. Toon je pracht!’
‘Kom in je kracht!’ roept de zaal terug.
‘Een van de krachtigste mensen in mijn leven is mijn vrouw Elise. Haar lenige lijf en haar lange, rode haren hebben jarenlang symbool gestaan voor pracht. Het gebouw hangt vol met foto’s van haar en van anderen die hun vrij bewegende lichamen en wapperende haren tonen. Nu is er in haar lijf gesneden en de chemo’s zorgen ervoor dat zij kaal wordt. Maar haar pracht is niet weg. Zij is nog even prachtig als daarvoor. Daarom zal ik de komende week de foto’s laten vervangen door foto’s van mensen die net zo krachtig en prachtig zijn, maar die door de maatschappij niet als zodanig gezien worden. Ik wil dat wij dat wel zien. In elkaar en in anderen. Het ultieme bewijs daarvan zal ik zelf leveren. Rhonda, kom even naar voren, wil je? Wil jij met deze tondeuse mijn haar afscheren? Ik heb nog twintig tondeuses in de zaal gelegd. Kijk om je heen en je zult er ergens wel een vinden. Doe mee als je wilt, maar voel je niet bezwaard om nee te zeggen.’

Rhonda pakt de tondeuse en begint Brians hoofd te scheren. Binnen enkele seconden worden de eerste mensen in de zaal ook geschoren en binnen een half uur ligt de hele zaal bezaaid met haar. Elise is geschokt. Dit heeft ze nooit gewild en dat weet Brian, omdat ze erover hebben gesproken. Ze voelt dat dit toneelstukje alleen maar met machtsvertoon te maken heeft. Ze loopt naar het huis terug en begint een koffer te pakken. Ze belt een taxi en haar zus.
Als de muziek begint en de zaal al dansend wordt geveegd, loopt Brian weg. In de deuropening staat Michael. Hij heeft zich niet laten scheren.
‘We hebben geen kapper meer nodig. Wat mij betreft kun je vertrekken. Dag schat,’ fluistert Brian in zijn oor. Brian loopt verder. Hij raapt wat plukken haar op en blaast die lachend in de richting van Michael, die als aan de grond genageld staat.

Kerstgedachte

Kling klong , de klokken luid
Het gaat maar door
Het houdt niet op
Voorspel van het kerstkoor

Een aanslag hier
Een dode daar
Idealen
Het is nooit klaar

Vrede op aarde
Was het maar zo
Helaas zijn er mensen
Riep iemand HO HO?

We maken ons druk om
Waylon, Sylvana, Piet en om Geert
Maar de stilte valt pas
Als Tijn ons iets leert

Als we allen tezamen
Iets heel erg graag willen
Dan kunnen we de pijn
Van de wereld stillen