Invallen in het onderwijs: vrijheid of vogelvrij

Veel mensen in het onderwijs hebben geen vaste aanstelling. Als je begint of later in je loopbaan van woonplaats wisselt, heb je grote kans dat je eerst in een ‘invalpool’ moet beginnen alvorens in aanmerking te komen voor een vaste baan. Ook zijn er collega’s die er bewust voor kiezen, zodat ze de vrijheid hebben om van werktijdfactor of dagen te wisselen. Met als bijkomend voordeel dat ze een aantal van de taken van een vaste kracht niet hoeven te doen.

Maar ondanks de voordelen, zoals vrijheid, waardering en dankbaarheid van team en ouders voor het door kunnen laten gaan van de lessen, zijn er nogal wat misstanden.

Als je kortdurend invalt, hoef je geen vergaderingen bij te wonen of uitgebreide administratie te voeren. Als je alles hebt nagekeken, de klas netjes achterlaat en een briefje over het verloop van de dag voor de eigen leerkracht, vinden de meeste scholen dat je wel naar huis kunt gaan. Alleen soms loopt het anders, zoals de juf die dat allemaal deed, daarna nog even hielp met het versieren van de gangen en toen wegging. Toen ze de volgende week weer voor een dag werd gevraagd, werd haar medegedeeld dat zij niet voor vijf uur weg had mogen gaan. Wat zij dan had moeten doen? Een rondje langs alle andere collega’s maken om te zien of ze nog ergens mee kon helpen. Nadat je een dag hebt gewerkt op een onbekende school, met nieuwe kinderen die je allemaal zo goed mogelijk wilt leren kennen en lesgeven, maar die acht van de tien keer een ander plan hebben. Dat vergt een enorme inspanning. Zeker als het die week niet de enige school is waar je invalt.

Invallers die langdurig ergens werken, doen precies hetzelfde als hun collega’s die een vaste baan hebben. Als je via een uitzendburau werkt, mag je echter niet al je uren schrijven. De vakanties krijg je ook niet (altijd) doorbetaald.

Voor veel invallers stopt het contract per de eerste dag van de zomervakantie of per 1 augustus. Als je kostwinner bent en afhankelijk van je inkomen, moet je aan de slag. Je kunt dan of een vakantiebaantje zoeken of bij het UWV aankloppen. In beide gevallen is er in ieder geval geen ontspannen vakantie zoals bij de andere collega’s, die gewoon verzekerd zijn van werk en niet elke keer opnieuw moeten beginnen, steeds weer een nieuwe klas, een nieuwe school moeten leren kennen. En al zeker niet 20 keer per jaar. Voor invalleerkrachten is dat geen uitzondering.

Van het UWV mag je niet zo lang met vakantie. Als je na de vakantie weer aan de slag kunt voor minder uren dan daarvoor, blijft je uitkering (voor een deel) doorlopen. Ook als je die mindere uren prima vindt, kun je de uitkering niet stopzetten en dus ook niet de daarbij horende sollicitatieplicht, het re-integratietraject voor onderwijsgevenden, etc.

Als je na de vakantie wel kunt beginnen aan bijvoorbeeld een langdurige vervanging dan kan het zijn dat je de dagen die je in de vakantie komt om je klas in orde te maken en de dag dat je komt voor de verplichte vergadering, niet vergoed krijgt. Officieel begin je namelijk pas op de eerste schooldag. Het kan zelfs gebeuren dat de directie (als je hier om vraagt) zegt, dat ze anders ook best een andere invaller kunnen nemen.

Verder werken de meeste invallers  voor verschillende besturen. Voor elk bestuur heb je een nieuwe ‘Verklaring Omtrent Gedrag’ nodig. Dat mag je zelf even voorschieten aan het begin van het schooljaar, als je al een maand geen loon hebt gehad en je nog wacht op de eerste betaling van het UWV.

Bij elk bestuur heb je een online account waar je je salarisstroken krijgt. En een account waar je je beschikbare dagen bijhoudt. Overal andere wachtwoorden. Je moet alles in de gaten houden. Krijg ik voor alle dagen loon, krijg ik reiskosten vergoeding, is mij VOG vergoed? Kloppen mijn aktes? Reiskostenvergoeding in het onderwijs betekent trouwens niet dat je al je reiskosten krijgt vergoed.

Daarnaast moet je als je zelf kinderen hebt een nogal flexibele kinderopvang hebben.

Als je kortdurend invalt is het niet mogelijk om een goede band op te bouwen met collega’s, kinderen en ouders. Je hoort nergens echt bij en dat gaat op den duur knagen.

Hoewel er positieve verhalen zijn van mensen die een aanstelling krijgen door de nieuwe wet, zijn er nog veel meer verhalen van mensen die een tijd niet mogen werken voor een bestuur omdat ze al aan het maximum aantal contracten zitten. Of iemand die drie jaar invalt bij een bestuur, maar geen vast contact krijgt, omdat zij in die drie jaar minstens twee functioneringsgesprekken en een beoordelingsgesprek had moeten hebben gehad. Of je krijgt na anderhalf jaar invallen op één school te horen dat andere (jongere) invallers een aanstelling krijgen en jij niet omdat ‘je niet in het team past’ en dat je daar dan nooit wat van hebt gemerkt.

Als je steun zoekt bij de vakbond, omdat je je afvraagt of de manier waarop je wordt behandeld wel klopt, dan is de uitkomst soms dat je het kunt aanvechten. De eerste vraag die de vakbond dan stelt is: ‘Wil je in de toekomst nog werken voor deze stichting? We willen het best aanvechten, maar dan moet je je realiseren dat de verhoudingen er niet beter op worden. Het kan dan zijn dat je niet meer wordt gevraagd te werken voor hen.’
Dan moet je kiezen, je recht halen en je kansen op werk vergooien of het er maar bij laten. Het is niet zo gemakkelijk. Er is in je omgeving altijd maar een beperkt aantal besturen, waaronder alle scholen vallen.

Het is dankbaar werk, maar we zouden die dankbaarheid ook graag terugzien in zekerheid en waardering vanuit de besturen. Want één ding is zeker: als alle invallers en mensen met tijdelijke contracten per direct zouden stoppen, dan ligt het hele onderwijs op z’n gat.

 

Zombie

Station Rotterdam.

Ik loop op een groepje mannen af, omdat er een conducteur bij staat. Hij probeert te praten met een jongen die wezenloos naar de joint staart, die hij tussen zijn vingers beweegt. Als beiden stil zijn, onderbreek ik hen en ik vraag of ik de trein gewoon in kan.  De trein ziet er namelijk anders uit, komt uit Brussel en soms moet je dan bijbetalen. Na wat grappen van de conducteur over dat hij best een extraatje kan gebruiken, blijkt dat deze trein voor mij toegankelijk is.

Dan praat hij weer verder met de jongen. De jongen noemt Arnhem en Roosendaal. De conducteur komt er achter dat hij op Roosendaal al had moeten overstappen. Ik kan het gesprek van binnen uit volgen en als zij instappen nog beter. Het is meer een monoloog, want de jongen zegt weinig terug. ‘We zijn al lang voorbij Roosendaal’, zegt hij op duidelijke toon tegen de jongen. Volgens de conducteur kan hij nu het best mee naar Schiphol en daar oversteken op een trein naar Arnhem. Hij zal de jongen dan wel wijzen waar hij moet zijn.

‘Gaat het wel goed met je?’ vraag de conducteur.
‘Eh…ja’, mompelt de jongen.
‘Weet je het zeker? Want ik vind van niet.’
‘Oh.’
‘Nee, je ziet er meer uit als een zombie.’ Geen antwoord. Er gaat een golf van verbazing door de coupé en er ontstaat het daarbij horende ongemakkelijk gegiechel.
‘Maar als jij vind dat het goed gaat. Ik denk van niet. Had je ook bagage bij je?’ Onverstaanbaar gemompel.
‘Een tas! Had je ook een tas bij je of zoiets?’
‘Hmm, ja,’ gromt de jongen.
‘Dan moet je daar bij blijven. Anders is ‘ie weg. Je moet bij je tas gaan zitten, snap je?’

Dan loopt de jongen langs alle bankjes. Hij kijkt, maar lijkt niet veel te zien. Daarna volgt de conducteur. Een kwartier later komt de jongen weer voorbij. Nog steeds van de wereld, op zoek naar zijn tas misschien. Hij stopt bij de deur waar hij naar binnenkwam en gaat na een tijdje weer dezelfde weg terug tussen de bankjes door van onze coupé. Af en toe moet hij zich vasthouden om niet om te vallen in de bewegende trein. Met starende blik, geen contact makend met de mensen om hem heen.

Ik ben uitgestapt op Schiphol en heb de jongen niet meer gezien. Of hij zijn tas of zijn thuis weer gevonden heeft is me ook niet bekend. Ik hoop het. Misschien had ik iets moeten doen, maar je niet met elkaar bemoeien zit er diep ingesleten.

1493382058097-488630882

Working girl

Al dertig jaar in het vak bedenkt ze, terwijl ze in haar gele minirok en kort leren jasje in de stationshal staat. Ze zoekt tevergeefs sigaretten in haar tas, want ze weet dat ze die in de opvang in de huiskamer heeft laten liggen. Dan ben je ze kwijt. Dat weet iedereen. Niemand zal haar feliciteren vandaag. In de reflectie van het raam van de hal ziet zij zichzelf. Ze heeft een paar pillen geslikt tegen de pijn in haar lijf en twijfelt over wat ze zal doen. De meeste mannen kijken niet meer. Ze kijken soms wel, maar niet meer zoals vroeger. 

Als ze naar haar benen kijkt ziet ze dat haar panty kapot is. Helaas kan ze nu geen nieuwe kopen. Ze heeft niet eens geld voor een kop koffie. Een eindje verder zit Stanley. Hij zit weggekropen in zijn capuchon en houdt haar in de gaten. Ze weet dat ze hem straks nodig heeft en hij weet het. Hij wacht af. Eerst moet zij geld verdienen om zijn dope te betalen. Hier en daar lopen handhavers. Straks als ze met meer zijn zullen ze weggestuurd worden. Geen vaste warme plek voor haar. Geen familie, geen echte vrienden, alleen ratten.

Uit haar tas pakt ze een spiegeltje. Ze werkt de make-up een beetje bij. Ze ziet een mager oud gezicht en probeert er niet op te letten. Er zijn nog altijd mannen die het wel doen als de prijs niet te hoog is. Ze is zesenveertig en zit dertig jaar in het vak.

Misschien neemt ze vandaag de trein. 

Stoer

Ik loop door de gang als ik word gevangen door twee kleine, sterke armen. Dit gebeurt bijna dagelijks. Ik draai me om en ze legt haar hoofd tegen mijn buik en zegt: ‘Hallo juf, hoe is het met u?’
Ik zeg: ‘Goed hoor. Ik ben vandaag in jullie klas, dus deze dag is nu al leuk. En hoe gaat het met jou?’
‘Goed,’ zegt ze en ze rent lachend voor me uit de trappen op om daar weer enthousiast een klasgenootje te begroeten. Later op de dag mag ze niet naast mij lopen. De afspraak is dat daar iemand anders loopt. Nu is ze boos. Ze kijkt boos naar beneden en heeft haar armen demonstratief over elkaar. Nukkig loopt ze door de gangen en kijkt even achterom of ik haar wel zie.
In de kring vertelt ze over twee familieleden die nog in het land wonen waaruit zij gevlucht zijn. Dat ze alleen maar puinhopen om zich heen hebben, geen eten meer. Ze zijn broodmager en van de weinige keren dat ze nog contact hebben, weten ze dat ze hele dagen in hun huis doods voor zich uit zitten te staren. Ze doet het voor en ik voel een steek in mijn hart. De ogen van dit zevenjarige meisje vullen zich met tranen en ik voel de tranen ook prikken. Ik slik en geef het gesprek een andere wending.
’s Middags als ze weer met de taxi naar huis gaat, komt ze nog een laatste knuffel geven. ‘Jij bent lief,’ zegt ze. Dit doet ze overigens bij al ‘haar’ juffen.
Ze zit nu een jaar bij ons op school en binnenkort gaat ze naar een nieuwe school. Een school in de buurt, zodat ze niet elke dag met de taxi hoeft te komen.
Ik zal haar missen, maar het is goed zo. Ik zal me wel blijven afvragen hoe het met haar is.  Het kleine, lieve en vooral stoere meisje dat ondanks dat ze alle lelijke kanten van het leven heeft meegemaakt, zo vrolijk blijft.

wp-1490528233778.jpg

Welkom

Ik ben weer terug bij de school waar ik thuis hoor. De school voor nieuwkomers. Wat een geluk! Mijn takenpakket is erg divers. Naast mijn lesgevende taken ben ik sinds deze week ook verantwoordelijk voor de inschrijvingen van nieuwe leerlingen. Wij hebben vanzelfsprekend veel vluchtelingen op school. Maar er zijn ook arbeidsmigranten, waarvan de kinderen naar school moeten. Bij ons op school blijven de kinderen een jaar, zodat ze de Nederlandse taal voldoende beheersen om op een reguliere school het onderwijs te kunnen volgen.

De vluchtelingen worden vaak bijgestaan door een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk. Tussen al het papierwerk, dat ik met ze moet doornemen, probeer ik wat met ze te praten. De meesten praten wel een beetje Engels of ze hebben al wat Nederlands geleerd in het AZC. Vaak hebben ze een vertaal app op de telefoon en ook de vrijwilliger vertelt soms dingen, die ze weet uit eerdere gesprekken.

Ik heb in de afgelopen dagen zes nieuwe kinderen ingeschreven uit verschillende landen. Vluchtelingen die al te lang geen onderwijs hebben gehad en het liefst morgen willen beginnen. Kinderen staan te popelen om weer een normaal leven te beginnen. Kinderen die tot twee weken geleden nog tussen de puinhopen van Aleppo leefden. Ze zien er vrolijk uit, hoewel ze de laatste jaren vooral binnenshuis hebben doorgebracht.

Ouders die totaal niets zeggen over hun geloof. En als ze er al iets over zeggen, dan is het laconiek. Het is niet het allerbelangrijkst. Althans niet in combinatie met school. Ze zijn weggejaagd door mensen die uit naam van het geloof de boel onleefbaar hebben gemaakt.
Ik besef me ook dat dit de mensen zijn waar sommige mensen in Nederland bang voor zijn. Ze vrezen dat deze mensen ons hun cultuur willen opleggen. Ik ben daar helemaal niet bang voor. Geen enkele ouder doet ‘vreemd’. Ze zijn heel aardig (waarom ook niet) en ze schudden me de hand. Ze willen precies hetzelfde als ieder ander mens. Een dak boven hun hoofd, wat eten en dat hun kinderen gelukkig zijn en kansen krijgen. Leven zonder angst. Ze bedanken me uitgebreid bij het afscheid. Ik heb de mooie taak ze welkom te heten.

De kinderen willen bij de rondleiding het liefst meteen de volgende dag beginnen. Soms kan dat, maar niet altijd. Het is prachtig om die blije koppies te zien. De oudere kinderen (die komen niet bij ons op school) zien er een stuk minder onbezorgd uit. Ze stralen een soort gelatenheid uit. Een houding van ‘we zien het wel’. Ze zullen wat meer tijd nodig hebben om te landen.

Landen. Neerdalen op land. Op een land neerkomen. Neerland. Nederland.
Wat ben ik een bevoorrecht mens dat ik hier ben geboren.

Status

Ik haal even een boodschap bij de plaatselijke biologische supermarkt. Er zijn twee kassa’s open, waarvan er één gaat sluiten, dus ik sluit aan achter een dame die bijna klaar is. De dame draagt een lange jas met een hoge kraag van marterbont en ze heeft twee grote shoppers vol met spullen. Druk staat ze alles in de tas te proppen als er twee pakjes thee voorbij schuiven.
Mevrouw Marterkraag begint tegen de kassière te praten: ‘Dit is een actie. Ik krijg er iets bij. Zo’n ding.’
Het meisje achter de kassa kijkt haar aan en wacht even of de vrouw verdere uitleg gaat geven bij “ding”.
‘Jij werkt hier. Je moet het weten. Ik krijg er een bij twee. En kijk, ik heb hier vier pakjes, dus ik krijg er twee. Zo’n, ik weet het woord niet. Zoek het uit!  Jij moet het weten.’ Ze gunt het meisje geen blik waardig, maar kijkt ongeduldig zuchtend omhoog.
‘Het is mijn eerste dag hier, mevrouw. Ik weet niet om welke actie het gaat, maar…’
Ze krijgt geen tijd, want mevrouw Marterkraag valt haar ongedurig in de rede terwijl ze doorgaat met proppen. De tassen zitten nu tjokvol.
‘Vraag het! Ik krijg twee van die…’, zegt ze terwijl ze een drinkgebaar maakt. Het meisje drukt op een belletje, het teken dat ze van iemand hulp nodig heeft.
‘Een theeglas?’ zeg ik in een poging dit meisje een beetje te helpen.
‘No, niet een glas. More like a mug. Ceramic’, antwoordt de vrouw zonder op of om te kijken.

Het meisje van de andere kassa komt te hulp en pakt de mokken voor de ongedurige dame, die flink staat te zuchten. Een dankjewel kan er ook niet af.
Het meisje achter de kassa blijft vriendelijk lachen. Ik moet ook lachen, want zoveel hooghartigheid heb ik lang niet meer gezien. Ik zou mevrouw Martelkraag wel eens een dagje achter de kassa willen zetten. Haar creditcard doet het niet, maar gelukkig heeft ze nog een ander pasje. Als ik aan de beurt ben, kijkt ze naar haar twee volle tassen en zegt op luide toon, maar tegen niemand specifiek. ‘Hoe moet ik dat nou weer doen?’ Ze klinkt geërgerd en zucht er nog eens flink bij. Het meisje aan de kassa kijkt vragend naar haar.
‘Kan iemand even meelopen naar de auto? Dat doen ze altijd.’ Weer spreekt ze tegen niemand in het bijzonder of tegen het meisje aan de kassa, maar dan zonder haar aan te kijken. Het lijkt erop dat ze hoopt dat iemand haar ergernis en elegantie oppikt en begrijpt dat een dame zoals zij onmogelijk zelf met haar tassen naar de auto kan. (Een karretje pakken, het naar je auto rijden, inladen en de kar terugbrengen is te veel werk?)
Maar dan opeens ziet zij een gezicht in de winkel dat zij kent. Iemand die haar kent. En ze bedenkt opeens dat ze iets is vergeten. Ze roept: ‘Elizabeth, ik ben iets vergeten.’ Ze laat haar tassen aan het eind van de band staan en loopt naar Elizabeth. Die gaat haar ongetwijfeld helpen.
Terwijl ik afreken zie ik dat Elizabeth aanwijzingen krijgt van mevrouw. Ik zeg tegen het meisje achter de kassa dat ze het prima doet en dat ze vooral zo rustig en vriendelijk moet blijven als ze nu deed. Dat wordt meteen beaamd door de vrouw die na mij in de rij staat. Keurig als ze is, glimlacht ze en zegt alleen: ‘Dank u wel.’

En mevrouw Marterkraag? Geen idee. Waarschijnlijk heeft iemand haar loodzware tassen naar de auto gebracht en heeft zij bevestigd gekregen dat zij alles kan krijgen zoals zij dat wil.
Het is interessant om te zien hoe men meteen in de houding springt als er iemand zich gedraagt alsof ze meer zijn dan een ander. De status die de een aanneemt, heeft een direct effect op de ander.

frogs-1199815_960_720-2

Mooi afscheid nemen

Vandaag was ik voor het laatst. Eerder verhuisde ik al naar de dependance en de leerlingen die eerder in mijn klas zaten hopen dat ik de volgende periode weer op het hoofdgebouw kom werken. Ze weten niet dat ik (als invaller) al een poosje boventallig ben. Dat kan ik niet uitleggen. Nu ga ik weg, omdat ik een andere tijdelijke baan aangeboden heb gekregen. Dat is even slikken voor alle partijen. Ik voel dat ik op deze school thuishoor en ik krijg dat steeds bevestigd. 

Er vloeien tranen. Stille tranen van een meisje dat zich te groot voelt om te huilen. Voor haar geldt wat voor veel van onze leerlingen geldt: Het leven staat in het teken van afscheid nemen. Je voelt aan alles dat zij dit niet wil. Niet weer.

Mijn afscheid vandaag was goed. Ik ben nog nooit zo veel en zo stevig geknuffeld door zoveel kinderen als vandaag. Natuurlijk was een simpele hand ook prima. 

Een jongen pakt mij al iets eerder vast als hij met mij in de gang staat. Zijn gezicht staat zo treurig dat ik hem bijna een moederlijke kus geef. Ik ben verbaasd, want ik heb hem alleen bij één vak in de klas en ik had geen idee dat hij me zo graag mocht. Hij blijft slikken en ik verwoord wat ik denk te zien ‘Je vindt het moeilijk hè?’ ‘Ja’, zegt hij, ‘Ik heb mijn pappa twee jaar niet gezien. En mijn mamma ook niet.’ Echte tranen nu. Ik sta flink te slikken, maar ik krijg die plotselinge brok niet weg. Ik vraag niet waarom, maar: ‘Bij wie woon je dan?’ ‘Bij mijn grote broer, hij is vijfentwintig.’ Ik laat het even tot me doordringen. Een kind van elf in een vreemd land, zonder ouders. En dat al een paar jaar. Een vijfentwintigjarige jongen, die net aan zijn leven begint, die voor zijn kleine broertje zorgt. Ik merk dat ik niet durf te vragen naar het wel en wee van die ouders. Alsof hij mijn gedachte opvangt zegt hij:’Ze komen over drie maanden.’ En weer gaan die armpjes om mijn middel. Ik geef hem een kus op zijn haar en zeg: ‘Ik hoop dat die drie maanden heel snel voorbij gaan.’ Mijn stem trilt. ‘Ja juf, dank je wel, ik ook.’ Ik voel de tranen prikken. Niet om mijn afscheid. Dat is echt niets vergeleken bij wat de kinderen hier meemaken. 

Ik besluit om alleen nog maar te genieten van mijn afscheid. Alle kimderen van de dependance  komen op bezoek in mijn lokaal. We praten, lachen, ik krijg foto’s, bloemen, cadeautjes, knutsels, kussen en knuffels. Een borrel met de collega’s na schooltijd. Geen zielig gedoe voor mij. Alle lieve woorden, bloemen, cadeaus pak ik met een lach aan. Een speech van de directeur, die me complimenteert en zelfs de oud-directeur die met pensioen ging, komt nog even gedag zeggen en een cadeautje brengen. Super, super, super. En ik kan alleen maar zeggen wat ik hoop: ‘I will be back!’