Verdriet, vechten of vriendschap

Ik kijk naar een groepje kinderen en probeer te ontdekken of ze spelen of ruzie hebben. Dan zie ik Soufian een flinke schop geven aan Nadir en wat kinderen die ze uit elkaar proberen te houden.

Ik ga er op af en stuur meteen Soufian naar een andere plek, waar hij moet staan tot ik naar hem toe kom.

Ik vraag wat er is gebeurd aan Nadir. Nadir reageert kwaad en wil weglopen. Ik hou hem tegen, ga door mijn knieën en zeg: ‘Wij hebben toch geen ruzie?’

‘Ja,’ antwoordt hij kort. Ik moest er even aan wennen maar eigenlijk antwoordt hij correct. Hij bedoelt ‘Ja het klopt.’

‘Kan ik even met je praten dan?’

‘Ja’. Zijn gezicht staat niet meer kwaad, maar heeft een gepijnigde uitdrukking. ‘Soufian zegt: ‘Kom vechten. Sla me dan. Als je een man bent dan vecht je.’ Ik wil niet, maar hij blijft zeggen dat ik moet slaan, anders ben ik geen man. Toen heb ik een klap gegeven. Dat is niet goed, dat weet ik, juf. Maar ik ben kwaad.’

‘Nee, ruzie en vechten is niet goed,’ beaam ik. ‘Juf, in mijn land. Vechten, altijd, ik wil niet…’ zijn stem stokt, hij vecht nu tegen zijn tranen. ‘Ik weet het. En dat je geen man bent als je niet vecht, dat is niet waar’

‘Ja. Mijn land, alles kapot.’

Hij draait zich om, zijn tranen verbergend. Ik sla even een arm om hem heen en vraag of het ok is dat ik even met Soufian ga praten. Hij knikt.

Ik ga verhaal halen bij de ander. Hij zegt dat Nadir hem sloeg. Als ik Nadirs verhaal vertel, zie ik hem draaien. ‘Wil je me eerlijk vertellen wat er is gebeurd. Klopt zijn verhaal?’ Hij knikt en zegt zacht: ‘Ja juf.’

‘Wat een raar iets om te zeggen. Als je een man ben dan kom je vechten.’ Hij knikt. Ik: ‘ Stel je voor dat dat zo was en alle mannen op straat zie je de hele tijd met elkaar vechten of klappen uitdelen.’ Een miniscuul lachje verschijnt. ‘Jullie komen uit hetzelfde land. Volgens mij weet jij heel goed hoe het is als er veel gevochten wordt. Nadir is daar heel verdrietig over.’ Soufians weerstand breekt plotseling. Ik zie bij hem nu ook tranen opwellen.

‘Weet je, volgens mij hebben jullie precies hetzelfde verdriet. Je bent in een ander land. Je kunt nu niet terug. Je familie is niet meer hetzelfde. Je ziet je ouders misschien verdrietig.’ Bij alles knikt hij heftig en hij huilt nu echt. ‘Dan kun je elkaar makkelijk boos maken, maar je kunt beter proberen vrienden te zijn. Als je allebei verdriet hebt, dan maakt vechten het niet beter. Wat denk je ervan om te kijken of jullie het goed kunnen maken?’ ‘Ja juf’. We lopen samen naar Nadir. Ik vertel wat ik net heb gezegd tegen Soufian. Beide jongens nu heel kwetsbaar, terwijl ze normaal zo gehard lijken. Ze kijken elkaar aan. Ik zie gewoon dat ze contact maken zonder woorden.

Dan steekt Soufian zijn hand uit en Nadir pakt zijn hand. ‘Sorry’ zeggen ze tegelijkertijd. Ik zeg niets meer, ze zien mij al niet meer. Ik bekijk van een afstandje hoe ze samen nog even staan te praten, terwijl ze tegen kleine steentjes schoppen.

Advertenties

Muts

Ik werk op een bijzondere school. De leerlingen zijn allemaal nieuwkomers. Ze spreken als ze aankomen allemaal weinig tot geen Nederlands.

Het zijn niet allemaal vluchtelingen en de afkomst, status en hun geschiedenis is dus erg divers. We hebben kinderen uit o.a. Polen, Bulgarije, de VS, Thailand, Turkije, Jordanië, Syrië, Eritrea, Somalië, Armenië, Italië en Spanje.

De kou van de afgelopen weken is voor een sommigen ongekend. Je ziet dan ook kinderen binnenkomen in de meest wonderlijke outfits. Grote muts, dikke sjaal en handschoenen trekt de een aan voor het naar buiten gaan. De ander wil geen jas aan, want de zon schijn, dus het is warm. Alles kan, niets wordt gek gevonden.

Er zijn kinderen die een maillot en een pyjamabroek onder hun broek aanhebben voor de kou. Ik vraag me dan af of ouders ook bedenken dat hun kind de rest van de dag in een warme klas zit.

Een kind heeft oorwarmers die eruit zien als hamburgers. Geweldig! Een kind heeft een bivakmuts op waar haar gezicht door een klein gat zichtbaar is.

Jenna (met roze bivakmuts) komt in de pauze op mij af en lacht: ‘He juf!’. Ze zat haar eerste periode bij mij in de klas, ze is stoer, zelfstandig en aardig. Ik begroet haar en zeg:’Wat een leuke muts’. Dan gaat haar lip trillen. Ze zegt ‘De kinderen. Ze lachen allemaal om deze.’ Ze wijst op haar muts. Ik zeg: ‘Wat gek. Allemaal? Het is juist een hele leuke muts.’ En ik verwacht dat zij er verder over zal praten, maar ze zegt: ‘Dank je wel, juf’ en huppelt weg.

Even later sta ik met een collega te praten. Jenna loopt voorbij. ‘Wat een goeie muts’ zegt ze tegen Jenna. Ik fluister haar in dat Jenna net zei dat iedereen haar uitlacht. Jenna komt naar mijn collega toe, slaat haar armen om haar heen. Dan doet ze weer een stapje naar achter en zegt: ‘Ik hou van jou.’ Ze huppelt weer weg en stopt, komt terug naar ons, kijkt mij aan en zegt: ‘en ook van jou!’ Daarna slaat ze snel even haar armen om mij heen en gaat lachend het voetbalveld in. Daar had ze haar uitlachers aangewezen. De bal komt langs en ze geeft de bal een flinke trap richting het doel. Net mis, maar goed genoeg om respect voor te hebben. Ik heb niemand meer zien lachen om haar muts.

De paaslunch

De leerlingen uit de groep waar ik elke week een dagje sta, hebben allemaal iets lekkers meegenomen.
Nadat we hebben bekeken en besproken wat er allemaal is, gaat iedereen langs het buffet om een paar dingen te pakken.
Als iedereen weer zit, beginnen we.
De kinderen kijken ook naar wat ik neem. Als ik iets neem wat door hen (of ouders) is gemaakt, groeien ze van trots.
Ik neem een klein hapje van iets in bladerdeeg. Er zit een knakworstje in. Ik eet geen vlees, maar de ogen van het jochie die het meenam zijn op mij gericht. Hij zegt: ‘Lekker hè?’ en ik beaam het. Gelukkig vind ik het niet echt vies, maar lekker… Nou ja. Maar dan moet ik toch even de moslim kinderen waarschuwen. Het is waarschijnlijk varkensvlees.
Iedereen eet heerlijk en het is gezellig.

Intussen is de conciërge nog onderweg met boterhammen en beleg. Zij is namelijk aangehouden op de scooter en ze mocht niet verder rijden, omdat die een beetje opgevoerd was. Ze noteren je kilometerstand en je moet gaan lopen. Het brood en beleg komen na de maaltijd. Het is geen probleem er was al genoeg.

Na de maaltijd gaan we met de hele school eieren zoeken op een veldje. Met de nieuwe schoenen voor het paasfeest stampen de kinderen door de modder en lichtroze suède is grotendeels veranderd in blubberig grauw met zwarte spetters. Oh jee…

Terug op school verdelen we de eieren die nog heel zijn. Die mogen opgegeten, versierd of mee naar huis. Iemand vraagt: ‘ Juf, is het ei van varken?’
Ik schiet in de lach. Ik vraag: ‘Kan het varken eieren leggen?’ Ik hoor antwoorden ja en nee. Iemand roept iets over een kip. Dan vraag ik: ‘Waar komt een ei vandaan?’
‘Uit de winkel.’
‘Klopt, maar voordat ‘ie in de winkel komt?’
Hetzelfde kind die net kip riep, zegt het weer. De rest is aan het denken of aan het overleggen in eigen taal.
Ik zeg: ‘Het varken krijgt levende kleintjes. Ze krijgen biggetjes, dat zijn heel kleine varkentjes. Net als een mens, die kringen een baby, dat zijn heel kleine mensjes. De kip niet. Die legt een ei. Dus het ei komt van de kip. Julian zei het al een paar keer.’ Julian glundert.

‘Juf, zeg jij nou dat een mens hetzelfde is als een varken?’ De jongen kijkt er vies bij. De anderen schrikken.
De jongen die het ei wil opeten kijkt er nu een beetje benauwd naar en vraagt: ‘Juf, zit er een kleine vogel in het ei?’

Kinderen zijn leuk. Bij elk antwoord komt weer een nieuwe vraag.

Naam: Vluchteling Geboortedatum: 01-01

Wie een enkele vluchteling in de klas heeft zal het niet meteen opvallen, maar wanneer je er meerdere krijgt met dezelfde geboortedatum, dan rijst de vraag: ‘Hoe kan het dat kinderen allemaal op 01-01 of 01-07 zijn geboren?’ 

Als ik zeg allemaal, dan lieg ik. Het is heus niet zo dat er geen kinderen zijn met hun echte geboortedatum. Kinderen die in het ziekenhuis zijn geboren bijvoorbeeld, zijn  meteen officieel geregistreerd.

Het is niet iets nieuws, het is van alle tijden dat er fictieve geboortedata worden genoteerd op officiële documenten. 

Er zijn verschillende redenen voor. Laten we beginnen met de wetenschap dat een verjaardag vieren niet overal op de wereld zo belangrijk is als in onze westerse cultuur. In Syrië bijvoorbeeld wordt er wel binnen het gezin aandacht aan besteed, maar niet op school en er worden geen (kinder)feestjes gegeven. 

Als mensen zijn gevlucht zonder identiteitspapieren, dan zal er in Nederland een datum op je papieren komen. Meestal weten mensen wel hoe oud ze zijn, dus dan is het even terugrekenen en dan heb je het jaar. Eerst werd 01-01 altijd gebruikt. Maar omdat de databases vol raakten, werd ook 1-7 een veel gebruikte datum.

In Syrië werden veel kinderen op 01-07 gezet, omdat dat gunstig was voor school. Als het kind eigenlijk iets later was geboren, kon het op deze manier aan het begin van het schooljaar meteen starten.

Er zijn ook landen waar het registreren niet meteen gebeurt. Als je in een afgelegen dorp woont, komt er eens in de zoveel jaar een ambtenaar langs. De gezinnen komen langs en de kinderen worden op een rijtje gezet van groot naar klein. Omdat ze in het dorp totaal niet bezig zijn met leeftijd, maar met (over)leven, weten ouders het ook niet precies. De ambtenaar geeft het oudste kind een leeftijd en werkt zo terug naar het jongste kind. Elke keer een jaar eraf. Als bij het jongste kind aangekomen blijkt dat het niet klopt (hij komt op nul uit, maar het kind loopt al), dan wordt alles weer naar boven toe aangepast. 

Ook hanteren bepaalde landen een andere telling of taal voor de leeftijd. Kinderen geven dan aan dat ze een jaar ouder zijn dan volgens onze geboortedatum. Dat komt omdat er in hun taal gesproken wordt van één jaar als je in je eerste levensjaar bent. Op het moment dat wij zeggen dat je één wordt, wordt je bij hen twee, want het tweede levensjaar gaat in. Bij ons ben je dus één als het jaar voorbij is. In het begin is dat heel verwarrend voor deze kinderen. Dan hebben ze in Nederland ineens een leerkracht die bij hoog en bij laag beweert dat ze een jaar jonger zijn dan je thuis leert.

Dus heb je een nieuwkomer is je klas met een geboortedatum waarvan je vermoedt dat die is verzonnen, vraag dan aan de ouders of en wanneer je de verjaardag zult vieren. Leg ze (als dat nodig blijkt) uit dat er een verschil zit in hoe we spreken over leeftijden, zodat ouders en kinderen het begrijpen. 

Dag zonder dagplanning en strak omlijnde doelen

Als je tegenwoordig de binnenkomst in een klas bekijkt, dan zul je zien dat de meeste kinderen even een blik werpen op het bord. Daar staat aangegeven, met woorden en pictogrammen (voor de beelddenkers of ontstaan omdat de juf het zo gezellig vond, die leuke plaatjes?) welke vakken je deze dag kunt verwachten, waar de pauzes zitten en er is vaak zelfs een kaartje voor ‘naar huis’. Oorspronkelijk was dit alleen voor kinderen bedoeld die niet konden lezen, zoals kleuters en kinderen in het speciaal onderwijs.

Dan is er in de moderne klas een doelenmuur. Prachtig geplastificeerde vellen met doelen voor rekenen, taal, spelling etc. zijn daar te vinden. 

Zoals het hoort, wordt vooraf bij elke les het lesdoel verteld. Zodat de kinderen weten wat ze gaan leren. Waarom doen we dat? Als je een kind meeneemt in de natuur en je laat bloemen zien, eraan ruiken, je geeft een naam erbij, dan verwoordt je er toch ook geen doel bij? ‘We gaan vandaag het bos in en dan kun je daarna minstens drie bloemen herkennen aan vorm, kleur en geur. Bovendien weet je welke naam bij welke bloem hoort.’ Misschien ontdekt het kind wel iets heel anders, bijvoorbeeld dat een bepaalde bloem bij het water groeit, of in de schaduw, dat er altijd dezelfde andere bloemen in de buurt groeien of dat er bijen, vlinders of hommels op af komen.

Hoe anders was dat vroeger. Vaak stonden de vakken wel op het bord geschreven met daarbij welke bladzijden of welke sommen er werden behandeld. Maar soms ook niet. Je zei het gewoon tegen de kinderen en je schreef het op, op het moment dat dat nodig bleek. 

Nu is het zo dat kinderen denken dat je de hele dag niets gaat doen als het bord niet vol hangt. Kinderen met autistische kenmerken hebben veel baat bij deze structuur en duidelijkheid. Maar ik merk dat de andere kinderen juist autistiforme trekjes gaan vertonen als alles zo is uitgestippeld. Moeten we kinderen er juist niet op voorbereiden dat niet alles altijd zo duidelijk is en dat je omgaat met wat het leven je toewerpt.

Als ik besluit (omdat ik zie dat de energie op is) om de boel om te gooien, dan zijn sommige klassen helemaal van de rel. ‘We doen het altijd zo!’

Ik wil er niet voor pleiten om alles weer te doen zoals vroeger, want heus: alles heeft goede en minder goede kanten. Maar waar ik wel voor zou willen pleiten is: doe af en toe een verrassingsdag. Niet vooraf bedacht, zoals elke week op vrijdag of elke eerste maandag van de maand, maar onverwacht. Het enige dat de kinderen hoeven te weten is dat je dat af en toe doet. Kijk eens wat er gebeurt en geef eens een keer les zonder je doel te benoemen. Geef eens een les die je anders niet geeft. Vraag dan aan het eind wat ze hebben geleerd.

Ik ben zo benieuwd hoe kinderen daarop reageren.

Eng-enger

Ik moet een dagje vervangen in een groep die bijna onze school gaat verlaten. Het is een groepje van tien kinderen, waarvan twee kinderen vandaag afwezig zijn.

We doen de dagelijkse Powerpoint presentatie en bespreken de items op de kijkttafel. Het verschil met de begingroepen is enorm. Deze kinderen praten in hele zinnen met hulpwerkwoord en voltooid deelwoord. Er is een meisje dat daar een beetje in achterblijft. Ze kan het niet of durft niet en al ben ik voor haar wel bekend, ik geef normaal geen les, dus reden om zo onopvallend mogelijk te blijven.

Er komt een vleermuis in beeld. Ik vertel een spannend verhaal over de vleermuis die ik vorige week probeerde op te pakken. De kinderen hebben vragen en hangen aan mijn lippen.

Op een van de dia’s komt een hand in beeld met daarop een enorme harige spin. Een vogelspin of iets dergelijks. De woorden erbij zijn: eng-enger

Ik zie het stille meisje verstijven. Haar mond wordt een dunne streep die zich opent. Er komt een dierlijke kreet uit en daarna met ingehouden adem: ‘Juf, ik beetje heel veel eng.’ Ik zeg: ‘Ik vind het een beetje eng, maar jij vindt het nog veel enger.’ Zo, meteen beide woorden gebruikt. Ze probeert ja te zeggen, maar er komt alleen een soort ‘aa’ uit. Ze houdt haar adem in en zit roerloos alsof de spin elk moment van bet bord kan springen. Ik raak het bord aan om het te doorbreken. Ze zet resoluut haar bril af en legt ‘m op het tafeltje achter haar. Ik zeg: ‘Wat denk je? Ik zet mijn bril maar af, dan zie ik het niet.’ Haar buurvrouw lacht zachtjes. Ze kijkt wezenloos voor zich uit, knikt vaag en staart verder in het niets.

Terwijl ik vertel dat deze spin niet gevaarlijk is en dat sommige mensen zulke spinnen als huisdier houden, bedenk ik me dat ze vast denkt dat Nederlanders compleet gestoord zijn.

Als we naar de volgende dia gaan, pakt ze haar bril weer en zet ‘m op.

Schoongeveegd

Het is een week of wat geleden dat ik haar voor het eerst zie. Een kleine vrouw, op het eerste gezicht lijkt ze op iemand die je met de straatkrant kunt zien. Een Roma achtige dame, waarvan de leeftijd niet te schatten is. Ze heeft een kar van de Albert Heijn bij zich die vol zit met een paar grote tassen. Bovenop de tassen heeft ze een stoel, die je doorgaans op terassen ziet. Soms zit ze naast haar kar op de stoel. Het ziet er naar uit dat zij hier haar plek heeft gevonden, tussen het station en het gemeentehuis. Ik vraag me af of ze er al lang ‘woont’ en dat het me nooit eerder is opgevallen óf dat ze hier net pas zit. 

Het valt me op dat ze erg op zichzelf is. Ze spreekt niemand aan, vraag je niet om geld. Ze is er gewoon. Als ik haar groet, groet ze vriendelijk terug. Na een paar dagen twijfel ik of ik wat eten voor haar moet meenemen. Als ik die middag langsloop, zie ik dat ze met een groepje mensen in haar eigen taal praat en dat ze met eten in haar hand staat. Ik kan dus concluderen dat ze nog wel een soort van achterban heeft en dat ze niet verhongert.

Deze ochtend loop ik weer naar het busstation. Twee agenten staan tegenover haar. Ze hebben zichzelf zo gepositioneerd dat ze maar één kant op kan en dat is via de roltrap naar buiten. In theorie kan ze gewoon alle kanten op, maar gevoelsmatig niet. De mannen praten hard: ‘Nee, weg! Je mag alles meenemen, maar niet de kar.’ Ze probeert nog iets te zeggen, maar haar Nederlands is niet toereikend. Ze heeft twee tassen. Waar is de rest? De stoel kan ze niet meenemen zonder kar. Ze wil de kar toch meenemen, maar de agenten zijn onverbiddelijk. De AH kar mag niet mee. Ze druipt af, tassen over haar schouder. De stoel moet ze achterlaten, want die kan ze niet dragen. De AH ligt om de hoek. Ik vermoed dat de agenten de kar straks terugbrengen, want die had zij onrechtmatig in haar bezit.

Als ik echter ’s middags door het busstation loop zie ik de kar en de stoel. Op dezelfde plek als waar die ochtend de agenten zo streng zeiden dat het niet mee mocht. 

De volgende morgen zie ik dat het plein tussen het station en gemeentehuis helemaal schoon is. Geen troep, geen zwervers, zelfs geen toerist zit op de bankjes. Het is helemaal leeg en aan de vochtige strepen op de grond te zien, is het zojuist schoongeveegd. Ik loop naar beneden naar de gang van het busstation. Al snel zie ik dat de kar er nog staat, zonder stoel. Als ik er een foto van maak, komt de vrouw voorbij. Ze ziet me, we groeten elkaar. Ze loopt naar de wachtruimte van de busmaatschappij en ik zie dat ze zich daar al heeft geïnstalleerd. Er liggen doeken over een paar stoeltjes en er staat een tas onder.

En de AH kar?  Die staat nog keurig in het busstation te wachten tot iemand ‘m terugbrengt.