Schoongeveegd

Het is een week of wat geleden dat ik haar voor het eerst zie. Een kleine vrouw, op het eerste gezicht lijkt ze op iemand die je met de straatkrant kunt zien. Een Roma achtige dame, waarvan de leeftijd niet te schatten is. Ze heeft een kar van de Albert Heijn bij zich die vol zit met een paar grote tassen. Bovenop de tassen heeft ze een stoel, die je doorgaans op terassen ziet. Soms zit ze naast haar kar op de stoel. Het ziet er naar uit dat zij hier haar plek heeft gevonden, tussen het station en het gemeentehuis. Ik vraag me af of ze er al lang ‘woont’ en dat het me nooit eerder is opgevallen óf dat ze hier net pas zit. 

Het valt me op dat ze erg op zichzelf is. Ze spreekt niemand aan, vraag je niet om geld. Ze is er gewoon. Als ik haar groet, groet ze vriendelijk terug. Na een paar dagen twijfel ik of ik wat eten voor haar moet meenemen. Als ik die middag langsloop, zie ik dat ze met een groepje mensen in haar eigen taal praat en dat ze met eten in haar hand staat. Ik kan dus concluderen dat ze nog wel een soort van achterban heeft en dat ze niet verhongert.

Deze ochtend loop ik weer naar het busstation. Twee agenten staan tegenover haar. Ze hebben zichzelf zo gepositioneerd dat ze maar één kant op kan en dat is via de roltrap naar buiten. In theorie kan ze gewoon alle kanten op, maar gevoelsmatig niet. De mannen praten hard: ‘Nee, weg! Je mag alles meenemen, maar niet de kar.’ Ze probeert nog iets te zeggen, maar haar Nederlands is niet toereikend. Ze heeft twee tassen. Waar is de rest? De stoel kan ze niet meenemen zonder kar. Ze wil de kar toch meenemen, maar de agenten zijn onverbiddelijk. De AH kar mag niet mee. Ze druipt af, tassen over haar schouder. De stoel moet ze achterlaten, want die kan ze niet dragen. De AH ligt om de hoek. Ik vermoed dat de agenten de kar straks terugbrengen, want die had zij onrechtmatig in haar bezit.

Als ik echter ’s middags door het busstation loop zie ik de kar en de stoel. Op dezelfde plek als waar die ochtend de agenten zo streng zeiden dat het niet mee mocht. 

De volgende morgen zie ik dat het plein tussen het station en gemeentehuis helemaal schoon is. Geen troep, geen zwervers, zelfs geen toerist zit op de bankjes. Het is helemaal leeg en aan de vochtige strepen op de grond te zien, is het zojuist schoongeveegd. Ik loop naar beneden naar de gang van het busstation. Al snel zie ik dat de kar er nog staat, zonder stoel. Als ik er een foto van maak, komt de vrouw voorbij. Ze ziet me, we groeten elkaar. Ze loopt naar de wachtruimte van de busmaatschappij en ik zie dat ze zich daar al heeft geïnstalleerd. Er liggen doeken over een paar stoeltjes en er staat een tas onder.

En de AH kar?  Die staat nog keurig in het busstation te wachten tot iemand ‘m terugbrengt.

Advertenties

Verleidingen

Ik ga de supermarkt binnen en pak een karretje. Naast de karren stopt een vrouw haar tassen vol en haar dochter blijft aandringen op een vlaggetje. Die staan in een paal met de naam van de supermarkt erop en je mag ze zo pakken. De moeder wil niet. Ze heeft geen zin in zo’n knalgeel vlaggetje. De dochter probeert haar uit alle macht te overtuigen dat ze het zelf zal vasthouden. De moeder is ook vasthoudend. Ze wil het niet. Ze zegt nog wat over te veel afval. Ik ben het helemaal met moeder eens. Het zijn stomme dingen.

Ik kom een beetje bij. Buiten is het veel te heet voor een vrouw in de overgang, dus ik blijf wat langer in de koelte van de supermarkt. Ik slenter langs alle verleidingen. De meesten kan ik wel weerstaan. Ik loop naar de afdeling ‘chocola’. Dat is nog een heel gedoe, want wij houden thuis allemaal van andere chocoladesoorten. Achter mij staan twee jochies in de tijdschriften te kijken. Ik mijmer over vroeger. Mijn jongens gingen vroeger meteen naar de tijdschriften en als ik bij de kassa stond, riep ik ze. Ze  gingen altijd heel netjes met de boekjes om, want (zo had ik ze verteld) die moesten nog verkocht worden. Zo stonden ook deze jongetjes gezellig bij de “boekjes”.

‘Ah, Stijn! Dat mag helemáál niet!’, hoor ik opeens achter mij. Stijn antwoordt niet. ‘Geef maar hier. Ik ga het zeggen. Dat mag niet.’ Het jongetje is ongeveer vier jaar en laat zijn broertje van zes achter om met grote stappen op zoek te gaan naar hun ouder om Stijn te verraden. Ik weet niet precies wat er is gebeurd. Ik ben besluiteloos over de chocolade. Dan komt de kleine weer terug. Zonder ouder. ‘Stijn, ik ga het niet zeggen. Ik zeg het niet als jij deze openmaakt. Dan zal ik het niet zeggen.’ Nu draai ik me om, zodat ik kan zien waar het over gaat. ‘Ik weet het niet, Mac,’ zegt Stijn nu. Mac (de kleinste) heeft een zakje met iets in zijn hand, dat als lokkertje op een van de tijdschriften heeft gezeten. Stijn zegt verder niets. Aangezien grote broer het zakje niet gaat openmaken zegt Mac: ‘Nou dan ga ik het zeggen, want het mag niet wat jij hebt gedaan. Nu gaat Stijn heel ongelukkig kijken.
Ik zeg: ‘Wat is er gebeurd?’ Ze kijken allebei geschrokken. Ze gaan zo staan dat ze samen met hun ruggen een blok vormen. Maar ik heb het allang gezien. ‘Heb je dat pakje van een tijdschrift gehaald?’ vraag ik nu aan Stijn. Hij kijkt me aan en knikt schuldbewust. ‘Nou dan zet je het pakje toch gewoon weer bij het tijdschrift, dan kan iemand die het wil kopen het pakje erbij nemen.’
‘Dat gaat niet. Het is eraf.’ Hij kijkt een beetje hulpeloos. Ik krijg nu de indruk dat het nooit zijn opzet was om het te eraf te halen en niet meer terug te doen. Hij laat me zien dat het bij het Pokemon boekje hoort, door een ander boekje aan te wijzen waar het zakje nog aanzit. Als ik vraag waar het boekje zonder zakje is, zegt hij ‘Oh die staat hier’ en pakt deze tussen een paar bladen over auto’s vandaan. De kleine Mac geeft mij het pakje en is ook zichtbaar opgelucht dat het uit zijn handen is. Het plakbandje doet het niet meer zo goed, maar als ik er een keer met mijn nagel over ga, zit ‘ie vast. ‘Zo, dan zetten we het weer neer waar het stond. Opgelost!’
‘Ja, goed’, zegt Mac. Stijn kijkt mij niet aan, maar ik zie aan hem dat hij ook blij is dat het er weer op zit. Hij checkt het nog even. ‘Goed’, zegt hij nu.

Ik loop weg en neem nog wat repen mee. Wat heb ik het weer warm! Ik neem nog even de toeristische route langs de vrieskasten. Heerlijk! Af en toe trek ik er een open. Vlak voor vertrek doe ik de deuren bij de ijsjes open en sta te genieten van de kou die eruit komt. Dan komt er een medewerker. ‘Mevrouw?’ Snel steek ik een paar pakken Cornetto’s in mijn wagentje en loop naar de kassa.

IMG_20170618_094242

Kus

Een moeder komt donderdag op school om haar dochter in te schrijven. Ze woont al een poosje in Nederland en nu is haar dochter overgekomen uit een Afrikaans land. De moeder spreekt aardig Nederlands voor de korte tijd dat ze hier woont. Het meisje is elf jaar en volgens moeder is ze een heel lief en rustig meisje. Deze moeder is een van de weinige ouders die haar kind niet heeft meegenomen naar de inschrijving. 

Ik moet taxivervoer regelen, want ze wonen te ver weg om haar elke dag heen en weer te brengen met het OV. Dan zou moeder drie uur per dag aan het reizen zijn.

Het duurt meestal een weekje voordat ik bericht krijg van de gemeente. Op woensdag is er al een mailtje: Het vervoer is geregeld, vandaag kan ze opgehaald worden. Meteen daarna krijg ik een mail van het taxibedrijf dat ze niet is meegegaan, want het was nog niet met de ouders gecommuniceerd. Ik zie aan het eind van de dag echter een mooi, lang, donker meisje door de school lopen, die ik nooit eerder heb gezien. Ze is er al de hele dag. Ik vraag of ze Darlene is. Ze knikt. Ik stel me voor en vraag of ze een leuke dag heeft gehad. We kunnen Engels praten en dat is voor kinderen (en ons) wel fijn als ze nog geen Nederlands beheersen. Ik vraag haar naar de ochtend en het ophalen door de taxi. Onverwacht was de taxi daar. Hals over kop is ze met de bus naar school gekomen. Ze kijkt blij en ik concludeer dat haar moeder gelijk had. We hebben er alweer zo’n lieverd bij gekregen op school.

Ook de volgende dag, informeer ik even hoe het is als ik haar zie op het schoolplein. Ze vindt het leuk op school. Op vrijdagmiddag na schooltijd kom ik even het lokaal binnenlopen waar de taxikinderen wachten tot hun chauffeur er is. Terwijl ik de ruimte afspeur met mijn ogen om een leerling nog iets te geven wat hij is vergeten, voel ik opeens twee armen om mijn nek en er wordt een dikke kus op mijn wang gedrukt. Pas als ze me weer loslaat en een stapje naar achter doet, zie ik dat het Darlene is. Ik lach en vraag ‘waarom?’. Ze haalt haar schouders op, maakt een gebaar met haar handen, waaruit blijkt dat ze het ook niet weet.


Ik denk dat ik het wel weet. Ze kent mij nauwelijks, dus de kus is een kus voor de school. Een school waar voor veel kinderen een begin wordt gemaakt met hun “nieuwe” leven. Ons schoolsysteem, waar we kinderen waarderen en waar kinderen vrij kunnen zijn, zichzelf mogen zijn. Voor de juffen en meesters, die zich inzetten om deze kinderen een plek te geven in onze wereld. Een kus voor acceptatie en de liefde voor deze jonge mensen, die het zo ontzettend waard zijn om keihard voor te werken.

 

Ouder worden, niet altijd charmant

Ik had nooit een probleem met ouder worden, ik dacht dat het mooi was. Dat was toen ik jong(er) was. Nu is dat anders. Het is geen probleem en ik accepteer het ook, maar er zitten echt minder leuke kanten aan.

Zo ben ik al ongeveer 10 jaar in de overgang en het eind is nog niet in zicht. Nu denk je misschien dat ik hier de details uit de doeken doe, maar dat hebben velen voor mij al gedaan. Ik denk er niet aan, maar ik kan wel verklappen dat er geen klap aan is. Laat ik het zo zeggen: zonder dat je erom gevraagd hebt, ben je opeens een hete vrouw.

Had ik vroeger een strak lijf, terwijl ik van alles at en snackte en dat zonder ook maar over iets na te denken, tegenwoordig ben ik zwaarder en dikker dan toen ik zwanger was. Ik zweer je dat laatst een moeder van school aan mij vroeg wanneer de baby zou komen. Die buik heb ik echter helemaal aan mijzelf te danken, want ik ben minder actief en eet nog net zo veel of meer. Ik heb een enorme zucht naar lekkere dingen. Door mijn aangegroeide vetjes, zijn ook mijn rimpels een beetje verdwenen, dus mijn gezicht schijnt er wat jonger uit te zien. Vandaar misschien die vraag van de moeder.
Ik heb dus de keuze: dik en minder rimpels of dun en een ouwe kop. Great!

Dat ik minder beweeg heeft te maken met mijn moeheid. Door de jaren heen lijkt de moeheid te zijn opgestapeld en een paar keer goed uitslapen maakt eerder dat ik me slechter voel dan beter. Wat wel helpt is af en toe een klein slaapje. Een tukkie doen, maar hoe bejaard is dat?
Maar ja, ik kan niet anders. Opeens gaat het lampje uit en val ik in slaap, te pas en te onpas. Op vergaderingen, in de trein, op de bank, in de auto, in de bioscoop. Het is nog net niet zo dat ik tijdens een wandeling in slaap val. Daarbij komt ook nog dat ik soms snurk. Charmant! Dus als ik dan opeens wakker schrik en merk dat ik in de trein bijna op de schouder van mij buurvrouw hang, dan hoop ik in godsnaam maar dat ik niet ook nog heb gesnurkt. Gauw maak ik een grap over mezelf om de situatie nog enigszins te redden. Ik probeer er tegen te vechten, maar het lijkt erop dat hoe fanatieker ik het slaapje probeer tegen te houden, des te harder het toeslaat.

Behalve mijn moeheid zijn er ook nog de pijntjes. Mijn knieën, mijn artroseteen, mijn rug, mijn schouders, mijn nek en sinds een paar jaar ook mijn hoofd vragen om de beurt om aandacht. Als ze die dan hebben gehad en zich weer een beetje gaan gedragen zoals ik dat wil, dan dient het volgende pijntje zich aan. Niet erg bevorderlijk voor het bewegen, maar funest als ik niet meer beweeg.

Verder zijn er dingen die ik niet meer snap. Ik snap bijvoorbeeld niet meer hoe ik muziek moet luisteren onderweg. Ik heb een telefoon en kan via Youtube luisteren als ik wifi heb. Maar al die CD’s en platen, die wij hebben, kon ik vroeger opnemen en via een walkman of iets dergelijks afluisteren. Daarna kwam de MP3, dat ging dan via de computer en dat lukte me ook nog wel. Nu heb ik geen idee meer. Mijn zoon heeft een keer muziek op mijn telefoon gezet, maar dat gebeurt dan zonder mij. Dat gaat namelijk sneller. Nu staat er muziek op die hij leuk vindt, waarvan hij dacht dat ik die ook leuk vind.
We hebben ook allerlei apparaten, die van alles kunnen. Bijvoorbeeld de printer. Die kan ook scannen en weet ik het wat niet meer. Er staan zoveel icoontjes bij het programma van de printer, dat ik er al moedeloos van wordt als ik er aan denk wat ik allemaal moet bestuderen om het ding ten volle te benutten. Vroeger kreeg je er ook een handleiding bij. Nu een papiertje om snel te installeren. Verder zoek je het maar zelf uit.

 

Zijn er dan geen leuke kanten aan het ouder worden? Ja hoor. Zeker. Ik maak me niet zo veel zorgen meer. Tot nu toe heb ik van alles overleefd, al dacht ik soms dat iets het einde van de wereld was. Ik hoef niets te bereiken, ik ben gewoon op weg en ik zie wel wat er op mijn pad komt.
Ik merk dat ik veel weet. Als we kijken naar TV programma’s, als ik praat met jongere collega’s, dan merk ik dat ik door de jaren heen, zonder al te veel moeite, heel wat informatie heb vergaard. Dat komt soms handig van pas, maar meestal is het nutteloze informatie die allemaal opgeslagen is in mijn hersens. Zo weet ik dat er 336 kuiltjes in een golfbal zitten, terwijl ik niets met golf heb. Dat alleen de vrouwelijke muggen steken, maar ik weet niet hoe je een mannelijke of vrouwelijke mug kan herkennen. Als je gestoken wordt, was de mug vrouwelijk. Daar heb je wat aan! Wist je dat een telefoontoestel vroeger, behalve een snoer van de hoorn naar het toestel, ook een snoer naar een speciaal contact in de muur had? Dan ben je waarschijnlijk boven de veertig, want een jonger iemand vroeg me laatst: ‘Namen jullie de telefoons niet mee omdat ze zo groot waren? Of had je er geen goede batterijen in?’

Ik ben hopeloos afgedwaald, dat is niets nieuws. Dat deed ik altijd al.

Nu jullie: Wat vind je nou echt een voor- of nadeel van het ouder worden?


 

 

 

 

Invallen in het onderwijs: vrijheid of vogelvrij

Veel mensen in het onderwijs hebben geen vaste aanstelling. Als je begint of later in je loopbaan van woonplaats wisselt, heb je grote kans dat je eerst in een ‘invalpool’ moet beginnen alvorens in aanmerking te komen voor een vaste baan. Ook zijn er collega’s die er bewust voor kiezen, zodat ze de vrijheid hebben om van werktijdfactor of dagen te wisselen. Met als bijkomend voordeel dat ze een aantal van de taken van een vaste kracht niet hoeven te doen.
Maar ondanks de voordelen, zoals vrijheid, waardering en dankbaarheid van team en ouders voor het door kunnen laten gaan van de lessen, zijn er nogal wat misstanden.

Als je kortdurend invalt, hoef je geen vergaderingen bij te wonen of uitgebreide administratie te voeren. Als je alles hebt nagekeken, de klas netjes achterlaat en een briefje over het verloop van de dag voor de eigen leerkracht, vinden de meeste scholen dat je wel naar huis kunt gaan. Alleen soms loopt het anders, zoals de juf die dat allemaal deed, daarna nog even hielp met het versieren van de gangen en toen wegging. Toen ze de volgende week weer voor een dag werd gevraagd, werd haar medegedeeld dat zij niet voor vijf uur weg had mogen gaan. Wat zij dan had moeten doen? Een rondje langs alle andere collega’s maken om te zien of ze nog ergens mee kon helpen. Nadat je een dag hebt gewerkt op een onbekende school, met nieuwe kinderen die je allemaal zo goed mogelijk wilt leren kennen en lesgeven, maar die acht van de tien keer een ander plan hebben. Dat vergt een enorme inspanning. Zeker als het die week niet de enige school is waar je invalt.

Invallers die langdurig ergens werken, doen precies hetzelfde als hun collega’s die een vaste baan hebben. Als je via een uitzendburau werkt, mag je echter niet al je uren schrijven. De vakanties krijg je ook niet (altijd) doorbetaald.

Voor veel invallers stopt het contract per de eerste dag van de zomervakantie of per 1 augustus. Als je kostwinner bent en afhankelijk van je inkomen, moet je aan de slag. Je kunt dan of een vakantiebaantje zoeken of bij het UWV aankloppen. In beide gevallen is er in ieder geval geen ontspannen vakantie zoals bij de andere collega’s, die gewoon verzekerd zijn van werk en niet elke keer opnieuw moeten beginnen, steeds weer een nieuwe klas, een nieuwe school moeten leren kennen. En al zeker niet 20 keer per jaar. Voor invalleerkrachten is dat geen uitzondering.

Van het UWV mag je niet zo lang met vakantie. Als je na de vakantie weer aan de slag kunt voor minder uren dan daarvoor, blijft je uitkering (voor een deel) doorlopen. Ook als je die mindere uren prima vindt, kun je de uitkering niet stopzetten en dus ook niet de daarbij horende sollicitatieplicht, het re-integratietraject voor onderwijsgevenden, etc.

Als je na de vakantie wel kunt beginnen aan bijvoorbeeld een langdurige vervanging dan kan het zijn dat je de dagen die je in de vakantie komt om je klas in orde te maken en de dag dat je komt voor de verplichte vergadering, niet vergoed krijgt. Officieel begin je namelijk pas op de eerste schooldag. Het kan zelfs gebeuren dat de directie (als je hier om vraagt) zegt, dat ze anders ook best een andere invaller kunnen nemen.

Verder werken de meeste invallers  voor verschillende besturen. Voor elk bestuur heb je een nieuwe ‘Verklaring Omtrent Gedrag’ nodig. Dat mag je zelf even voorschieten aan het begin van het schooljaar, als je al een maand geen loon hebt gehad en je nog wacht op de eerste betaling van het UWV.

Bij elk bestuur heb je een online account waar je je salarisstroken krijgt. En een account waar je je beschikbare dagen bijhoudt. Overal andere wachtwoorden. Je moet alles in de gaten houden. Krijg ik voor alle dagen loon, krijg ik reiskosten vergoeding, is mij VOG vergoed? Kloppen mijn aktes? Reiskostenvergoeding in het onderwijs betekent trouwens niet dat je al je reiskosten krijgt vergoed.

Daarnaast moet je als je zelf kinderen hebt een nogal flexibele kinderopvang hebben.

Als je kortdurend invalt is het niet mogelijk om een goede band op te bouwen met collega’s, kinderen en ouders. Je hoort nergens echt bij en dat gaat op den duur knagen.

Hoewel er positieve verhalen zijn van mensen die een aanstelling krijgen door de nieuwe wet, zijn er nog veel meer verhalen van mensen die een tijd niet mogen werken voor een bestuur omdat ze al aan het maximum aantal contracten zitten. Of iemand die drie jaar invalt bij een bestuur, maar geen vast contact krijgt, omdat zij in die drie jaar minstens twee functioneringsgesprekken en een beoordelingsgesprek had moeten hebben gehad. Of je krijgt na anderhalf jaar invallen op één school te horen dat andere (jongere) invallers een aanstelling krijgen en jij niet omdat ‘je niet in het team past’ en dat je daar dan nooit wat van hebt gemerkt.

Als je steun zoekt bij de vakbond, omdat je je afvraagt of de manier waarop je wordt behandeld wel klopt, dan is de uitkomst soms dat je het kunt aanvechten. De eerste vraag die de vakbond dan stelt is: ‘Wil je in de toekomst nog werken voor deze stichting? We willen het best aanvechten, maar dan moet je je realiseren dat de verhoudingen er niet beter op worden. Het kan dan zijn dat je niet meer wordt gevraagd te werken voor hen.’
Dan moet je kiezen, je recht halen en je kansen op werk vergooien of het er maar bij laten. Het is niet zo gemakkelijk. Er is in je omgeving altijd maar een beperkt aantal besturen, waaronder alle scholen vallen.

Het is dankbaar werk, maar we zouden die dankbaarheid ook graag terugzien in zekerheid en waardering vanuit de besturen. Want één ding is zeker: als alle invallers en mensen met tijdelijke contracten per direct zouden stoppen, dan ligt het hele onderwijs op z’n gat.

 

Zombie

Station Rotterdam.

Ik loop op een groepje mannen af, omdat er een conducteur bij staat. Hij probeert te praten met een jongen die wezenloos naar de joint staart, die hij tussen zijn vingers beweegt. Als beiden stil zijn, onderbreek ik hen en ik vraag of ik de trein gewoon in kan.  De trein ziet er namelijk anders uit, komt uit Brussel en soms moet je dan bijbetalen. Na wat grappen van de conducteur over dat hij best een extraatje kan gebruiken, blijkt dat deze trein voor mij toegankelijk is.

Dan praat hij weer verder met de jongen. De jongen noemt Arnhem en Roosendaal. De conducteur komt er achter dat hij op Roosendaal al had moeten overstappen. Ik kan het gesprek van binnen uit volgen en als zij instappen nog beter. Het is meer een monoloog, want de jongen zegt weinig terug. ‘We zijn al lang voorbij Roosendaal’, zegt hij op duidelijke toon tegen de jongen. Volgens de conducteur kan hij nu het best mee naar Schiphol en daar oversteken op een trein naar Arnhem. Hij zal de jongen dan wel wijzen waar hij moet zijn.

‘Gaat het wel goed met je?’ vraag de conducteur.
‘Eh…ja’, mompelt de jongen.
‘Weet je het zeker? Want ik vind van niet.’
‘Oh.’
‘Nee, je ziet er meer uit als een zombie.’ Geen antwoord. Er gaat een golf van verbazing door de coupé en er ontstaat het daarbij horende ongemakkelijk gegiechel.
‘Maar als jij vind dat het goed gaat. Ik denk van niet. Had je ook bagage bij je?’ Onverstaanbaar gemompel.
‘Een tas! Had je ook een tas bij je of zoiets?’
‘Hmm, ja,’ gromt de jongen.
‘Dan moet je daar bij blijven. Anders is ‘ie weg. Je moet bij je tas gaan zitten, snap je?’

Dan loopt de jongen langs alle bankjes. Hij kijkt, maar lijkt niet veel te zien. Daarna volgt de conducteur. Een kwartier later komt de jongen weer voorbij. Nog steeds van de wereld, op zoek naar zijn tas misschien. Hij stopt bij de deur waar hij naar binnenkwam en gaat na een tijdje weer dezelfde weg terug tussen de bankjes door van onze coupé. Af en toe moet hij zich vasthouden om niet om te vallen in de bewegende trein. Met starende blik, geen contact makend met de mensen om hem heen.

Ik ben uitgestapt op Schiphol en heb de jongen niet meer gezien. Of hij zijn tas of zijn thuis weer gevonden heeft is me ook niet bekend. Ik hoop het. Misschien had ik iets moeten doen, maar je niet met elkaar bemoeien zit er diep ingesleten.

Working girl

Al dertig jaar in het vak bedenkt ze, terwijl ze in haar gele minirok en kort leren jasje in de stationshal staat. Ze zoekt tevergeefs sigaretten in haar tas, want ze weet dat ze die in de opvang in de huiskamer heeft laten liggen. Dan ben je ze kwijt. Dat weet iedereen. Niemand zal haar feliciteren vandaag. In de reflectie van het raam van de hal ziet zij zichzelf. Ze heeft een paar pillen geslikt tegen de pijn in haar lijf en twijfelt over wat ze zal doen. De meeste mannen kijken niet meer. Ze kijken soms wel, maar niet meer zoals vroeger. 

Als ze naar haar benen kijkt ziet ze dat haar panty kapot is. Helaas kan ze nu geen nieuwe kopen. Ze heeft niet eens geld voor een kop koffie. Een eindje verder zit Stanley. Hij zit weggekropen in zijn capuchon en houdt haar in de gaten. Ze weet dat ze hem straks nodig heeft en hij weet het. Hij wacht af. Eerst moet zij geld verdienen om zijn dope te betalen. Hier en daar lopen handhavers. Straks als ze met meer zijn zullen ze weggestuurd worden. Geen vaste warme plek voor haar. Geen familie, geen echte vrienden, alleen ratten.

Uit haar tas pakt ze een spiegeltje. Ze werkt de make-up een beetje bij. Ze ziet een mager oud gezicht en probeert er niet op te letten. Er zijn nog altijd mannen die het wel doen als de prijs niet te hoog is. Ze is zesenveertig en zit dertig jaar in het vak.

Misschien neemt ze vandaag de trein.