De paaslunch

De leerlingen uit de groep waar ik elke week een dagje sta, hebben allemaal iets lekkers meegenomen.
Nadat we hebben bekeken en besproken wat er allemaal is, gaat iedereen langs het buffet om een paar dingen te pakken.
Als iedereen weer zit, beginnen we.
De kinderen kijken ook naar wat ik neem. Als ik iets neem wat door hen (of ouders) is gemaakt, groeien ze van trots.
Ik neem een klein hapje van iets in bladerdeeg. Er zit een knakworstje in. Ik eet geen vlees, maar de ogen van het jochie die het meenam zijn op mij gericht. Hij zegt: ‘Lekker hè?’ en ik beaam het. Gelukkig vind ik het niet echt vies, maar lekker… Nou ja. Maar dan moet ik toch even de moslim kinderen waarschuwen. Het is waarschijnlijk varkensvlees.
Iedereen eet heerlijk en het is gezellig.

Intussen is de conciërge nog onderweg met boterhammen en beleg. Zij is namelijk aangehouden op de scooter en ze mocht niet verder rijden, omdat die een beetje opgevoerd was. Ze noteren je kilometerstand en je moet gaan lopen. Het brood en beleg komen na de maaltijd. Het is geen probleem er was al genoeg.

Na de maaltijd gaan we met de hele school eieren zoeken op een veldje. Met de nieuwe schoenen voor het paasfeest stampen de kinderen door de modder en lichtroze suède is grotendeels veranderd in blubberig grauw met zwarte spetters. Oh jee…

Terug op school verdelen we de eieren die nog heel zijn. Die mogen opgegeten, versierd of mee naar huis. Iemand vraagt: ‘ Juf, is het ei van varken?’
Ik schiet in de lach. Ik vraag: ‘Kan het varken eieren leggen?’ Ik hoor antwoorden ja en nee. Iemand roept iets over een kip. Dan vraag ik: ‘Waar komt een ei vandaan?’
‘Uit de winkel.’
‘Klopt, maar voordat ‘ie in de winkel komt?’
Hetzelfde kind die net kip riep, zegt het weer. De rest is aan het denken of aan het overleggen in eigen taal.
Ik zeg: ‘Het varken krijgt levende kleintjes. Ze krijgen biggetjes, dat zijn heel kleine varkentjes. Net als een mens, die kringen een baby, dat zijn heel kleine mensjes. De kip niet. Die legt een ei. Dus het ei komt van de kip. Julian zei het al een paar keer.’ Julian glundert.

‘Juf, zeg jij nou dat een mens hetzelfde is als een varken?’ De jongen kijkt er vies bij. De anderen schrikken.
De jongen die het ei wil opeten kijkt er nu een beetje benauwd naar en vraagt: ‘Juf, zit er een kleine vogel in het ei?’

Kinderen zijn leuk. Bij elk antwoord komt weer een nieuwe vraag.

Advertenties

Naam: Vluchteling Geboortedatum: 01-01

Wie een enkele vluchteling in de klas heeft zal het niet meteen opvallen, maar wanneer je er meerdere krijgt met dezelfde geboortedatum, dan rijst de vraag: ‘Hoe kan het dat kinderen allemaal op 01-01 of 01-07 zijn geboren?’ 

Als ik zeg allemaal, dan lieg ik. Het is heus niet zo dat er geen kinderen zijn met hun echte geboortedatum. Kinderen die in het ziekenhuis zijn geboren bijvoorbeeld, zijn  meteen officieel geregistreerd.

Het is niet iets nieuws, het is van alle tijden dat er fictieve geboortedata worden genoteerd op officiële documenten. 

Er zijn verschillende redenen voor. Laten we beginnen met de wetenschap dat een verjaardag vieren niet overal op de wereld zo belangrijk is als in onze westerse cultuur. In Syrië bijvoorbeeld wordt er wel binnen het gezin aandacht aan besteed, maar niet op school en er worden geen (kinder)feestjes gegeven. 

Als mensen zijn gevlucht zonder identiteitspapieren, dan zal er in Nederland een datum op je papieren komen. Meestal weten mensen wel hoe oud ze zijn, dus dan is het even terugrekenen en dan heb je het jaar. Eerst werd 01-01 altijd gebruikt. Maar omdat de databases vol raakten, werd ook 1-7 een veel gebruikte datum.

In Syrië werden veel kinderen op 01-07 gezet, omdat dat gunstig was voor school. Als het kind eigenlijk iets later was geboren, kon het op deze manier aan het begin van het schooljaar meteen starten.

Er zijn ook landen waar het registreren niet meteen gebeurt. Als je in een afgelegen dorp woont, komt er eens in de zoveel jaar een ambtenaar langs. De gezinnen komen langs en de kinderen worden op een rijtje gezet van groot naar klein. Omdat ze in het dorp totaal niet bezig zijn met leeftijd, maar met (over)leven, weten ouders het ook niet precies. De ambtenaar geeft het oudste kind een leeftijd en werkt zo terug naar het jongste kind. Elke keer een jaar eraf. Als bij het jongste kind aangekomen blijkt dat het niet klopt (hij komt op nul uit, maar het kind loopt al), dan wordt alles weer naar boven toe aangepast. 

Ook hanteren bepaalde landen een andere telling of taal voor de leeftijd. Kinderen geven dan aan dat ze een jaar ouder zijn dan volgens onze geboortedatum. Dat komt omdat er in hun taal gesproken wordt van één jaar als je in je eerste levensjaar bent. Op het moment dat wij zeggen dat je één wordt, wordt je bij hen twee, want het tweede levensjaar gaat in. Bij ons ben je dus één als het jaar voorbij is. In het begin is dat heel verwarrend voor deze kinderen. Dan hebben ze in Nederland ineens een leerkracht die bij hoog en bij laag beweert dat ze een jaar jonger zijn dan je thuis leert.

Dus heb je een nieuwkomer is je klas met een geboortedatum waarvan je vermoedt dat die is verzonnen, vraag dan aan de ouders of en wanneer je de verjaardag zult vieren. Leg ze (als dat nodig blijkt) uit dat er een verschil zit in hoe we spreken over leeftijden, zodat ouders en kinderen het begrijpen. 

Dag zonder dagplanning en strak omlijnde doelen

Als je tegenwoordig de binnenkomst in een klas bekijkt, dan zul je zien dat de meeste kinderen even een blik werpen op het bord. Daar staat aangegeven, met woorden en pictogrammen (voor de beelddenkers of ontstaan omdat de juf het zo gezellig vond, die leuke plaatjes?) welke vakken je deze dag kunt verwachten, waar de pauzes zitten en er is vaak zelfs een kaartje voor ‘naar huis’. Oorspronkelijk was dit alleen voor kinderen bedoeld die niet konden lezen, zoals kleuters en kinderen in het speciaal onderwijs.

Dan is er in de moderne klas een doelenmuur. Prachtig geplastificeerde vellen met doelen voor rekenen, taal, spelling etc. zijn daar te vinden. 

Zoals het hoort, wordt vooraf bij elke les het lesdoel verteld. Zodat de kinderen weten wat ze gaan leren. Waarom doen we dat? Als je een kind meeneemt in de natuur en je laat bloemen zien, eraan ruiken, je geeft een naam erbij, dan verwoordt je er toch ook geen doel bij? ‘We gaan vandaag het bos in en dan kun je daarna minstens drie bloemen herkennen aan vorm, kleur en geur. Bovendien weet je welke naam bij welke bloem hoort.’ Misschien ontdekt het kind wel iets heel anders, bijvoorbeeld dat een bepaalde bloem bij het water groeit, of in de schaduw, dat er altijd dezelfde andere bloemen in de buurt groeien of dat er bijen, vlinders of hommels op af komen.

Hoe anders was dat vroeger. Vaak stonden de vakken wel op het bord geschreven met daarbij welke bladzijden of welke sommen er werden behandeld. Maar soms ook niet. Je zei het gewoon tegen de kinderen en je schreef het op, op het moment dat dat nodig bleek. 

Nu is het zo dat kinderen denken dat je de hele dag niets gaat doen als het bord niet vol hangt. Kinderen met autistische kenmerken hebben veel baat bij deze structuur en duidelijkheid. Maar ik merk dat de andere kinderen juist autistiforme trekjes gaan vertonen als alles zo is uitgestippeld. Moeten we kinderen er juist niet op voorbereiden dat niet alles altijd zo duidelijk is en dat je omgaat met wat het leven je toewerpt.

Als ik besluit (omdat ik zie dat de energie op is) om de boel om te gooien, dan zijn sommige klassen helemaal van de rel. ‘We doen het altijd zo!’

Ik wil er niet voor pleiten om alles weer te doen zoals vroeger, want heus: alles heeft goede en minder goede kanten. Maar waar ik wel voor zou willen pleiten is: doe af en toe een verrassingsdag. Niet vooraf bedacht, zoals elke week op vrijdag of elke eerste maandag van de maand, maar onverwacht. Het enige dat de kinderen hoeven te weten is dat je dat af en toe doet. Kijk eens wat er gebeurt en geef eens een keer les zonder je doel te benoemen. Geef eens een les die je anders niet geeft. Vraag dan aan het eind wat ze hebben geleerd.

Ik ben zo benieuwd hoe kinderen daarop reageren.

Eng-enger

Ik moet een dagje vervangen in een groep die bijna onze school gaat verlaten. Het is een groepje van tien kinderen, waarvan twee kinderen vandaag afwezig zijn.

We doen de dagelijkse Powerpoint presentatie en bespreken de items op de kijkttafel. Het verschil met de begingroepen is enorm. Deze kinderen praten in hele zinnen met hulpwerkwoord en voltooid deelwoord. Er is een meisje dat daar een beetje in achterblijft. Ze kan het niet of durft niet en al ben ik voor haar wel bekend, ik geef normaal geen les, dus reden om zo onopvallend mogelijk te blijven.

Er komt een vleermuis in beeld. Ik vertel een spannend verhaal over de vleermuis die ik vorige week probeerde op te pakken. De kinderen hebben vragen en hangen aan mijn lippen.

Op een van de dia’s komt een hand in beeld met daarop een enorme harige spin. Een vogelspin of iets dergelijks. De woorden erbij zijn: eng-enger

Ik zie het stille meisje verstijven. Haar mond wordt een dunne streep die zich opent. Er komt een dierlijke kreet uit en daarna met ingehouden adem: ‘Juf, ik beetje heel veel eng.’ Ik zeg: ‘Ik vind het een beetje eng, maar jij vindt het nog veel enger.’ Zo, meteen beide woorden gebruikt. Ze probeert ja te zeggen, maar er komt alleen een soort ‘aa’ uit. Ze houdt haar adem in en zit roerloos alsof de spin elk moment van bet bord kan springen. Ik raak het bord aan om het te doorbreken. Ze zet resoluut haar bril af en legt ‘m op het tafeltje achter haar. Ik zeg: ‘Wat denk je? Ik zet mijn bril maar af, dan zie ik het niet.’ Haar buurvrouw lacht zachtjes. Ze kijkt wezenloos voor zich uit, knikt vaag en staart verder in het niets.

Terwijl ik vertel dat deze spin niet gevaarlijk is en dat sommige mensen zulke spinnen als huisdier houden, bedenk ik me dat ze vast denkt dat Nederlanders compleet gestoord zijn.

Als we naar de volgende dia gaan, pakt ze haar bril weer en zet ‘m op.

Schoongeveegd

Het is een week of wat geleden dat ik haar voor het eerst zie. Een kleine vrouw, op het eerste gezicht lijkt ze op iemand die je met de straatkrant kunt zien. Een Roma achtige dame, waarvan de leeftijd niet te schatten is. Ze heeft een kar van de Albert Heijn bij zich die vol zit met een paar grote tassen. Bovenop de tassen heeft ze een stoel, die je doorgaans op terassen ziet. Soms zit ze naast haar kar op de stoel. Het ziet er naar uit dat zij hier haar plek heeft gevonden, tussen het station en het gemeentehuis. Ik vraag me af of ze er al lang ‘woont’ en dat het me nooit eerder is opgevallen óf dat ze hier net pas zit. 

Het valt me op dat ze erg op zichzelf is. Ze spreekt niemand aan, vraag je niet om geld. Ze is er gewoon. Als ik haar groet, groet ze vriendelijk terug. Na een paar dagen twijfel ik of ik wat eten voor haar moet meenemen. Als ik die middag langsloop, zie ik dat ze met een groepje mensen in haar eigen taal praat en dat ze met eten in haar hand staat. Ik kan dus concluderen dat ze nog wel een soort van achterban heeft en dat ze niet verhongert.

Deze ochtend loop ik weer naar het busstation. Twee agenten staan tegenover haar. Ze hebben zichzelf zo gepositioneerd dat ze maar één kant op kan en dat is via de roltrap naar buiten. In theorie kan ze gewoon alle kanten op, maar gevoelsmatig niet. De mannen praten hard: ‘Nee, weg! Je mag alles meenemen, maar niet de kar.’ Ze probeert nog iets te zeggen, maar haar Nederlands is niet toereikend. Ze heeft twee tassen. Waar is de rest? De stoel kan ze niet meenemen zonder kar. Ze wil de kar toch meenemen, maar de agenten zijn onverbiddelijk. De AH kar mag niet mee. Ze druipt af, tassen over haar schouder. De stoel moet ze achterlaten, want die kan ze niet dragen. De AH ligt om de hoek. Ik vermoed dat de agenten de kar straks terugbrengen, want die had zij onrechtmatig in haar bezit.

Als ik echter ’s middags door het busstation loop zie ik de kar en de stoel. Op dezelfde plek als waar die ochtend de agenten zo streng zeiden dat het niet mee mocht. 

De volgende morgen zie ik dat het plein tussen het station en gemeentehuis helemaal schoon is. Geen troep, geen zwervers, zelfs geen toerist zit op de bankjes. Het is helemaal leeg en aan de vochtige strepen op de grond te zien, is het zojuist schoongeveegd. Ik loop naar beneden naar de gang van het busstation. Al snel zie ik dat de kar er nog staat, zonder stoel. Als ik er een foto van maak, komt de vrouw voorbij. Ze ziet me, we groeten elkaar. Ze loopt naar de wachtruimte van de busmaatschappij en ik zie dat ze zich daar al heeft geïnstalleerd. Er liggen doeken over een paar stoeltjes en er staat een tas onder.

En de AH kar?  Die staat nog keurig in het busstation te wachten tot iemand ‘m terugbrengt.

Verleidingen

Ik ga de supermarkt binnen en pak een karretje. Naast de karren stopt een vrouw haar tassen vol en haar dochter blijft aandringen op een vlaggetje. Die staan in een paal met de naam van de supermarkt erop en je mag ze zo pakken. De moeder wil niet. Ze heeft geen zin in zo’n knalgeel vlaggetje. De dochter probeert haar uit alle macht te overtuigen dat ze het zelf zal vasthouden. De moeder is ook vasthoudend. Ze wil het niet. Ze zegt nog wat over te veel afval. Ik ben het helemaal met moeder eens. Het zijn stomme dingen.

Ik kom een beetje bij. Buiten is het veel te heet voor een vrouw in de overgang, dus ik blijf wat langer in de koelte van de supermarkt. Ik slenter langs alle verleidingen. De meesten kan ik wel weerstaan. Ik loop naar de afdeling ‘chocola’. Dat is nog een heel gedoe, want wij houden thuis allemaal van andere chocoladesoorten. Achter mij staan twee jochies in de tijdschriften te kijken. Ik mijmer over vroeger. Mijn jongens gingen vroeger meteen naar de tijdschriften en als ik bij de kassa stond, riep ik ze. Ze gingen altijd heel netjes met de boekjes om, want (zo had ik ze verteld) die moesten nog verkocht worden. Zo stonden ook deze jongetjes gezellig bij de “boekjes”.

‘Ah, Stijn! Dat mag helemáál niet!’, hoor ik opeens achter mij. Stijn antwoordt niet. ‘Geef maar hier. Ik ga het zeggen. Dat mag niet.’ Het jongetje is ongeveer vier jaar en laat zijn broertje van zes achter om met grote stappen op zoek te gaan naar hun ouder om Stijn te verraden. Ik weet niet precies wat er is gebeurd. Ik ben besluiteloos over de chocolade. Dan komt de kleine weer terug. Zonder ouder. ‘Stijn, ik ga het niet zeggen. Ik zeg het niet als jij deze openmaakt. Dan zal ik het niet zeggen.’ Nu draai ik me om, zodat ik kan zien waar het over gaat. ‘Ik weet het niet, Mac,’ zegt Stijn nu. Mac (de kleinste) heeft een zakje met iets in zijn hand, dat als lokkertje op een van de tijdschriften heeft gezeten. Stijn zegt verder niets. Aangezien grote broer het zakje niet gaat openmaken zegt Mac: ‘Nou dan ga ik het zeggen, want het mag niet wat jij hebt gedaan. Nu gaat Stijn heel ongelukkig kijken.
Ik zeg: ‘Wat is er gebeurd?’ Ze kijken allebei geschrokken. Ze gaan zo staan dat ze samen met hun ruggen een blok vormen. Maar ik heb het allang gezien. ‘Heb je dat pakje van een tijdschrift gehaald?’ vraag ik nu aan Stijn. Hij kijkt me aan en knikt schuldbewust. ‘Nou dan zet je het pakje toch gewoon weer bij het tijdschrift, dan kan iemand die het wil kopen het pakje erbij nemen.’
‘Dat gaat niet. Het is eraf.’ Hij kijkt een beetje hulpeloos. Ik krijg nu de indruk dat het nooit zijn opzet was om het te eraf te halen en niet meer terug te doen. Hij laat me zien dat het bij het Pokemon boekje hoort, door een ander boekje aan te wijzen waar het zakje nog aanzit. Als ik vraag waar het boekje zonder zakje is, zegt hij ‘Oh die staat hier’ en pakt deze tussen een paar bladen over auto’s vandaan. De kleine Mac geeft mij het pakje en is ook zichtbaar opgelucht dat het uit zijn handen is. Het plakbandje doet het niet meer zo goed, maar als ik er een keer met mijn nagel over ga, zit ‘ie vast. ‘Zo, dan zetten we het weer neer waar het stond. Opgelost!’
‘Ja, goed’, zegt Mac. Stijn kijkt mij niet aan, maar ik zie aan hem dat hij ook blij is dat het er weer op zit. Hij checkt het nog even. ‘Goed’, zegt hij nu.

Ik loop weg en neem nog wat repen mee. Wat heb ik het weer warm! Ik neem nog even de toeristische route langs de vrieskasten. Heerlijk! Af en toe trek ik er een open. Vlak voor vertrek doe ik de deuren bij de ijsjes open en sta te genieten van de kou die eruit komt. Dan komt er een medewerker. ‘Mevrouw?’ Snel steek ik een paar pakken Cornetto’s in mijn wagentje en loop naar de kassa.

IMG_20170618_094242

Kus

Een moeder komt donderdag op school om haar dochter in te schrijven. Ze woont al een poosje in Nederland en nu is haar dochter overgekomen uit een Afrikaans land. De moeder spreekt aardig Nederlands voor de korte tijd dat ze hier woont. Het meisje is elf jaar en volgens moeder is ze een heel lief en rustig meisje. Deze moeder is een van de weinige ouders die haar kind niet heeft meegenomen naar de inschrijving. 

Ik moet taxivervoer regelen, want ze wonen te ver weg om haar elke dag heen en weer te brengen met het OV. Dan zou moeder drie uur per dag aan het reizen zijn.

Het duurt meestal een weekje voordat ik bericht krijg van de gemeente. Op woensdag is er al een mailtje: Het vervoer is geregeld, vandaag kan ze opgehaald worden. Meteen daarna krijg ik een mail van het taxibedrijf dat ze niet is meegegaan, want het was nog niet met de ouders gecommuniceerd. Ik zie aan het eind van de dag echter een mooi, lang, donker meisje door de school lopen, die ik nooit eerder heb gezien. Ze is er al de hele dag. Ik vraag of ze Darlene is. Ze knikt. Ik stel me voor en vraag of ze een leuke dag heeft gehad. We kunnen Engels praten en dat is voor kinderen (en ons) wel fijn als ze nog geen Nederlands beheersen. Ik vraag haar naar de ochtend en het ophalen door de taxi. Onverwacht was de taxi daar. Hals over kop is ze met de bus naar school gekomen. Ze kijkt blij en ik concludeer dat haar moeder gelijk had. We hebben er alweer zo’n lieverd bij gekregen op school.

Ook de volgende dag, informeer ik even hoe het is als ik haar zie op het schoolplein. Ze vindt het leuk op school. Op vrijdagmiddag na schooltijd kom ik even het lokaal binnenlopen waar de taxikinderen wachten tot hun chauffeur er is. Terwijl ik de ruimte afspeur met mijn ogen om een leerling nog iets te geven wat hij is vergeten, voel ik opeens twee armen om mijn nek en er wordt een dikke kus op mijn wang gedrukt. Pas als ze me weer loslaat en een stapje naar achter doet, zie ik dat het Darlene is. Ik lach en vraag ‘waarom?’. Ze haalt haar schouders op, maakt een gebaar met haar handen, waaruit blijkt dat ze het ook niet weet.


Ik denk dat ik het wel weet. Ze kent mij nauwelijks, dus de kus is een kus voor de school. Een school waar voor veel kinderen een begin wordt gemaakt met hun “nieuwe” leven. Ons schoolsysteem, waar we kinderen waarderen en waar kinderen vrij kunnen zijn, zichzelf mogen zijn. Voor de juffen en meesters, die zich inzetten om deze kinderen een plek te geven in onze wereld. Een kus voor acceptatie en de liefde voor deze jonge mensen, die het zo ontzettend waard zijn om keihard voor te werken.