Ikke niet slaan

Sommige kinderen vertonen afwijkend gedrag. Zo ook Nourdin. Hij is nog maar net in Nederland en hij slaat, schopt en pest andere kinderen. We weten (nog) niet waar de oorzaak van zijn gedrag ligt. Als je hem aanspreekt op zijn gedrag, dan snapt hij er niets van. Hij lacht erom of doet beledigd. Hij reageert altijd met de mededeling dat hij niet heeft geslagen, ook al heb je zijn vuist zelf in de maag van een ander kind zien belanden. Hij blijft volhouden dat hij niet sloeg, soms zelfs zo overtuigend, dat hij erbij gaat huilen uit frustratie dat hij niet wordt geloofd. Nuances of andere zaken, zoals brutaal reageren, begrijpt hij totaal niet.

Dit keer komt Mena terug in de klas. Iedereen pakt eten, maar zij gaat zitten en huilt. Van de anderen hoor ik dat het Nourdin was, die haar heeft geslagen. Iedereen is opgewonden over het incident, dus ik besluit haar mee te nemen naar de klas van Nourdin. Ik vraag een collega in de gang of ze even bij mijn klas blijft.

In de gang vertelt ze mij dat hij niet heeft geslagen, maar tegen haar heeft gezegd: “Je vader is gek. Je vader is dood.” Daarna lachte hij haar uit. Dat haar vader is overleden, is waar. Ik weet niet precies hoe lang geleden, maar ik weet dat ze er nog elke dag heel verdrietig over is. Blijkbaar weet onze pestkop het ook.

image

We gaan samen naar de klas. De leerkracht weet precies voor wie ik kom als ik in de deuropening verschijn met Mena. Ook nu volgt hetzelfde als altijd. Eerst lachen, dan gekweld kijken “Ik niet slaan”. Woede en medelijden vechten in mijn hoofd en hart. Want wat weet ik nou? Niemand weet waarom dit kind zo doet. Hij heeft hulp nodig. Hulp die ik hem niet kan bieden. Alleen nu heeft hij mijn grens bereikt.
Na een poging tot begrip van zijn kant, geef ik het op. De boodschap moet kort en duidelijk. “Nourdin, jij zegt niets meer over haar papa” “Ok”, zegt hij.
” Ikke niet slaan!” “Nee dat is goed! Je hebt niet geslagen. Nu nog: lief praten.” “Ok,” zegt hij met zijn spottend lachende gezicht. Ik betwijfel of de boodschap aankomt. Hij zegt lachend sorry tegen mijn leerling.
Ze moet nog steeds huilen. In de klas komt haar kleine broertje poolshoogte nemen. Hij staat achter haar stoel en doet zijn armen van achter om haar hals heen. Hij geeft haar kussen op haar linkerwang. Hij kan er net bij. Daarna probeert hij haar aan het lachen te maken. Als alles niet lukt, trekt hij met beide handen haar mondhoeken omhoog. Hij kijkt naar mij. Hij zegt: “Ik vind Mena zo lief! Menna huilt. Ze moet lachen”.
Ik zeg:”Je bent heel lief voor haar. Als je haar even verdrietig laat zijn, dan is ze straks weer vrolijk.” Ik betwijfel het, maar gebruik mijn woorden als self fulfilling prophesy. De kinderen gaan naar buiten. Ik vraag wat Mena wil. Ze wil even in de klas blijven. Ik vertel dat ik weg ga, waar ik ben als ze me nodig heeft en dat ze naar buiten mag wanneer ze wil. Ze legt haar hoofd op haar armen op tafel.

Na tien minuten komt ze voorbij lopen. “Juf, ik buiten.” “Goed hoor, ga maar lekker.” Ze gaat op een drafje naar buiten, waar het broertje staat te wachten en zijn armen om haar heen slaat.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s